Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

178

in goede werken, zou het in mij eene dwaze trotschheid zijn, geen gebruik te willen maken van 't geen uw beider liefderijke^ harten mij aanbieden: en nu kan ik mijne stille liefdadigheid blijven beoefenen.

Terwijl ik dezen zoo zat te schrijven, kwam de heer Blankaart in mijn huisje. Uw tante was danig ontsteld. Hij bestrafte haar als Johannes de Dooper, en trooste haar als Johannes de lievêling des Heeren. Zij viel in de schuld, bekende dat zij u zeer onrechtvaardig behandeld had en u in gevaar gebracht om op den doolweg te 'raken. „Nu, zei hij, Santje, leer nu beter toezien; er zijn, zooals ik u duizendmaal zeide, heele ondeugende fielten onder dat fijne goedje. Jou duivel was gierigheid, kind, die moest uitgedreven worden; zooals de Schrift zegt, gierigheid is de wortel van, alle kwaad. Zie, hadt gij nu van uw geld arme sukkels meêgedeeld, maar neen, er mocht, geen duit af, zoo 't niet voor dat volk was. Nu 't schaadt je niet; zoo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begrijp niet, hoe of je zoo in dien hoop verward geraakt zijt. Gij pleegt te wezen als alle andere deftige burgers; maar sedert dat je bekeert bent, zit je te zuchten en te steenen, dat de Duivel in zijn vuist lacht, omdat je het bij onzen lieven Heer zoo wel niet hebt als bij hem. Denk jij, dat onzen Hemelschen Vader, die uit liefde en met blijmoedigheid wil gediend zijn, het scheelt, of gij u als een grauwe munnik toetakelt, en er uitziet, of je uit het zöttenhuis kwaamt? dat je dat kostelijk aangezicht wegmoffelt in een malle mus? Niet dat ik wil, dat gij u optooit als een kleuter; maar kleed u zooals Stijntje; zoo een samaartje staat immers net en ordentlijk, en het kuifje zindelijk en zedig? Zij ziet er ook zoo blijmoedig uit, dat men niet behoeft te vragen, of zij zich in den dienst haars Gods wèl bevindt en vroolijk leeft in den Heere. Nu, zalig zijn zij die zich beteren. Wat uw bestaan aangaat, zorg daar niet voor. Uwe lieve, brave nicht heeft mij gebeden om u uit het hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zoo lief hebben, zoo zij niet zoowel kon goed doen, als vergeven. Zie, dat is ook een Christelijke plicht. En wij hebben allen nog zooveel te doen,

Sluiten