Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

197

dat ik met mijzelve wel kijven zou, als ik niemand bij mij heb.

H ij: Wel zoo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordeelig uit! (Mijn man lachte.)

I k: Wel neen! tegen zulke lieve, redelijke menschen gedraag ik mij nooit als een malloot, omdat ik te veel prijs stel op hunne achting; met anderen, daar ik maar meê gelijk sta, mik ik het zoo nauw niet.

H ij (Half knorrig, half goedschiks): Nu, ik ben evenwel boos op Blankaart.

I k (Hem potsig in de oogen kijkende): En om wat reden? of is papa ook een beetje met luimen bezet, -want mijn voogd is de beste man van de geheele wereld, mijn man uitgezonderd?

H ij: Wel! hij heeft u zooveel kostbaarheden gekocht, en op uwe verjaring zulk een boel juweelen gegeven, dat ik, nu het aan mij toekomt, niet .eens weet, wat of ik u zoo eens geven zal; en jk ben evenwel uw vader, je hebt alles dubbel en dwars, en daar is nog zoo een menigte goed van mijn vrouw ook. Hij maakt mij recht verlegen, want ik zie niets, of je hebt het.

I k: Ik ben niet heel hebzuchtig; en met dit al, daar is iets dat gij mij geven kunt, had ik dat!...

H ij (Mij in de rede vallende): Wat is dat toch? je zult bet hebben, kind.

Ik: Een kinderlijk deel in uw vaderlijk hart! zoo ik dat hebben mag, dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (Ik stond op en kuste hem).

H ij: Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende, dat het heel wat bizonders was..

I k: Dat is het ook, lieve vader!

H ij: Nu, gij zijt een raar meisje, hoor; maar (in zijn brieventasch schommelende), ziedaar is een wissel op mijn kassier. Neem dit tot een bewijs, dat gij mij lief en waard zijt, en steek hem maar in uw almanakje.

Hem inziende, zag ik, dat hij ƒ6000 beliep. Ik bedankte met aandoening, en zei tegen mijn man: daar Edeling, neem dit van mij aan. Ik heb niets noodig, en als ik iets van doen heb, weet ik, dat gij mij meer zult geven, dan ik verzoek.

Sluiten