is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaring van het Kort Begrip der christelijke religie, voor onze catechisanten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

117

zijn als een hoofdsom van hetgeen God ons in het Evangelie belooft en bevolen heeft te gelooven. „Dit alles" wil dan zeggen : alles wat God ons in 't Evangelie belooft — al de beloften des Evangelies — kortelijk samengevat in de XII artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof.

De bate des geloofs, waarvan hier gesproken wordt, is niet gering. Integendeel, het is eene zaak van de allergrootste beteekenis, onmisbaar tot onzen troost in leven en sterven.

Om den zin van dit antwoord, en den inhoud van dit gansche hoofdstuk goed te begrijpen, moeten wij de beteekenis verstaan van een tweetal woorden; rechtvaardigen (of rechtvaardig maken, — verklaren) en verdoemen. Rechtvaardigen beteekent „vrijspreken", verdoemen beteekent „veroordeelen". Beide uitdrukkingen zijn aan de rechtspraak of aan het doen der rechters ontleend. Een rechter kan ons öf veroordeelen (verdoemen) öf vrijspreken (rechtvaardigen).

Nu is God ons aller Rechter, die ons öf verdoemen (veroordeelen) öf rechtvaardigen (vrijspreken, rechtvaardig verklaren) kan. Als Hij ons doen wil naar onze zonden, als Hij ons wil aanzien in cnszelven of in Adam — dan moet Hij ons verdoemen. Daarom staat er ook: „de geheele wereld is voor God verdoemelijk (veroordeelenswaardig)," Rom. 3 : 19. Maar als Hij in Christus ons aanschouwt, en diens gerechtigheid ons toerekent, dan zijn wij rechtvaardig voor God. Dat wil zeggen, dan staan wij voor God zonder schuld, zonder zonde — daarvan vrijgesproken zijnde om Christus' wil; dan staan wij voor God zoo, dat wij met zijn heilig recht gansch overeenkomen, als hadden wij nooit zonde gehad noch gedaan, ja als hadden wij ook al de gerechtigheid volbracht, welke Christus voor ons volbracht heeft. In dien zin kan de geloovige zeggen: „ik ben in Christus voor God rechtvaardig."

De rechtvaardiging of rechtvaardigmaking of rechtvaardigverklaring is dus een rechterlijke daad Gods, maar voortvloeiende uit zijne genade en gegrond op de verdienste van Christus, gelijk in het vervolg nog nader aangetoond wordt. ' Van rechtvaardigen of rechtvaardigmaken in dezen zin wordt o.a. gesproken in Spreuk. 17 : 15: „Wie den goddelooze [schuldige] rechtvaardigt [vrijspreekt], en den rechtvaardige [onschuldige] verdoemt [veroordeelt], zijn den

nccKc een gruwel, ja die beide. — Kom. ö : 55, 34