is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaring van het Kort Begrip der christelijke religie, voor onze catechisanten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

44. Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? Antw. Alleen door een oprecht (waar) geloof in Jezus Christus.

(Catech. vr. 60; Geloofsbel. art. 22.)

Het is alleszins noodig in het stuk onzer rechtvaardigmaking helder te zijn. Vóór alles is ons noodig te weten dat zij „alleen" geschiedt door een oprecht geloof in Jezus Christus, zooals dit antwoord zegt. Dit woordje „alleen" staat wel in geen enkelen tekst, die over de rechtvaardigmaking handelt (ook niet in Rom. 3 : 28, waar Luther het ter verklaring ingevoegd heeft), maar wel staat in menigen tekst dat de werken der wet hier gansch buiten gesloten zijn, volstrekt niet in aanmerking komen, — en dat wil de uitdrukking „alleen door het geloof" dan ook zeggen. Zie bijv. Rom. 3 : 28 en Gal. 2:16; „door het geloof — zonder de werken der wet," „niet uit de werken der wet — maar door het geloof in Jezus Christus."

Dat uit de werken der wet geen vleesch kan gerechtvaardigd worden voor God, is wel duidelijk als wij denken aan den toestand van den gevallen mensch. Hij kan de wet van God niet volbrengen gelijk dat behoort te geschieden. Hij is onbekwaam tot eenig goed als uit zichzelven. Als hij dus in eigen kracht zich op de wet toelegt om die te volbrengen, dan maakt hij de schuld dagelijks meerder, en vermeerdert alzoo zijne verdoemenis, in plaats van daarvan ontheven te worden. Die dus door de werken der wet rechtvaardig zoekt te worden voor God, doet een wanhopig werk, waar hij zoo spoedig mogelijk mee ophouden moet. Rom. 4 : 5. „Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid."

Vóór den val was dat zoo niet. Toen was de mensch rechtvaardig voor God in den weg der gehoorzaamheid, of door de werken der wet. Toen had hij dan ook niet het geloof in een zaligmaker noodig teneinde met diens gerechtigheid bekleed te worden. Zoodra de mensch echter gevallen was, kon hij niet meer door de werken der wet voor God bestaan, maar had hij het oprechte geloof in den Middelaar noodig. Sedert den val staat elk mensch van nature geheel zonder gerechtigheid en gansch verdoemelijk voor God.

Wel wordt er bij den natuurlijken mensch dikwijls uit-