is toegevoegd aan uw favorieten.

De loods en zijn vrouw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

go

richt — „maar overigens is met hem niet alles zooals het wezen moest en zooals men van hem verwacht had."

„Och, dat heb ik wel gedacht/' beweerde Beek, verachtelijk zijn schouders optrekkende. „Hij is een godvergeten bengel en mocht hij het er dezen keer nog goed hebben afgebracht, zoo zal er zich wel spoedig iets anders voor doen."

De verbolgen oogen waarmede Elizabeth hem bij deze woorden aankeek, zag hij niet.

Op dit oogenblik was zij er zich wanhopig van bewust dat het haar schuld was dat hij zich zoo slecht gedroeg en zoo geworden was. Stilzwijgend zat ze een geruimen tijd ongemerkt de handen te wringen in haar schoot — er kwam een besluit bij haar op.

Eer men zich ter ruste begaf, fluisterde Carl Beek haar toe: „Ik heb vandaag aan mijn vader geschreven, en — morgen, Elizabeth, is het de dag onzer verloving! Mina zal een paar verwonderde oogen opzetten."

Elizabeth was de laatste die nog in de kamer te doen had en toen ze eindelijk naar boven zou gaan, nam ze een vel papier en eenig schrijfgerèedschapmetzichmede.

Zij ging te bed liggen, doch tegen middernacht stond ze weer op en zette bij het schijnsel van een kaars eenige woorden op het papier.

Er stond:

„Vergeef me dat ik uw vrouw niet kan worden want mijn hart behoort een ander. Elizabeth Raklev."

Zij vouwde het papier toe en sloot het bij gebrek van een ouwel met een speld.

Daarna opende ze behoedzzam de deur van mevrouw Becks slaapkamer, bracht den mond bij haar oor en fluisterde haar naam.