is toegevoegd aan je favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

285

feit zijn strafbaar karakter geven of het maken tot een bijzonder omschreven misdrijf1). £00 de hoedanigheid van ambtenaar bij de misdrijven en overtredingen van Bk. II Titel XXVIII en Bk. III Titel VIII, de hoedanigheid van koopman bij de misdrijven van de artt. 340 en 341, de persoonlijke betrekking tusschen den dader en dengene, tegen wien het misdrijf gepleegd wordt, art. 249, eindelijk ook de voorbedachte raad in art. 2892). In al deze gevallen komt de persoonlijke omstandigheid ook ten laste van den uitlokker of medeplichtige 3). De niet-ambtenaar, die den ambtenaar uitlokt tot een der misdrijven van den 28sten Titel, is schuldig aan uitlokking tot een ambtsmisdrijf. Wie zonder voorbedachten raad een ander helpt bij de uitvoering van een met voorbedachten raad uitgevoerden doodslag is medeplichtig aan moord*). Daarentegen kan naar het vroeger betoogde slechts diegene mededader zijn, bij wien de voor den dader gevorderde hoedanigheid aanwezig isö). Wanneer een niet-ambtenaar en een ambtenaar samen een gevangene bij zijne zelfbevrijding behulpzaam zijn, pleegt de een het misdrijf van art. 191, de ander dat van art. 367. Bij een gemeenschappelijk uitgevoerden doodslag kan de eene dader schuldig zijn volgens art. 287, de andere volgens art. 289.

§ 41.

Deelneming bij misdrijven gepleegd door middel van de drukpers.

Lit.: G. W. Schimmel, De periodieke pers in verband met de verantwoordelijkheid voor drukpersdelicten, Amsterdam 1882; D. Simons, De vrijheid van drukpers in verband met het Wetboek van Strafrecht, Leiden 1883 (over beide A. A. d e P i n t o in Themis 1885); £. von N o ë 1, De praktijk in zake drukpersdelicten sedert 1 September 1886, Amsterdam 1890; P. Merkus, Artt. 418- 420 van het Wetboek v. Strafrecht, Utrecht 1892; van Ittersum, T. v. S., IV 247-257. Zie bij von Liszt, bij § 43 en G a r r a u d, III bl. 130—146.

*) Smidt, I 447. Zie de uitvoerige aanteekeningen bij Hazelhoff, aantt.

7 en 8 op art. 50.

2) Art. 292 maakt eene uitzondering op den regel ten aanzien van de misdrijven van de artt. 290 en 291 tegenover die van de artt. 287 en 289.

») Vgl. ook von Liszt, bl. 232.

4) Zie noot 3 op de vorige bladzijde.

5) Zie hierboven bl. 264 en 265.