is toegevoegd aan uw favorieten.

Het zesde hoofdstuk onzer grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9i

rechtskarakter der kerkgenootschappen noch omtrent hun verhouding tot het staatsgezag.

Zoo zegt Lohman: „Hierbij rijst de gewichtige quaestie: „wat moet onder „kerkgenootschappen" worden verstaan? „Veelal wordt onderscheid gemaakt tusschen de kerken „zooals deze tijdens de uitvaardiging der grondwet bestonden, en de later ontstane organisaties. Deze laatsteh „moeten dan, zoo beweert men, om als rechtspersoon te „kunnen optreden zich van regeeringswege laten erkennen, „met toepassing hetzij van de wet op de kerkgenootschappen van 10 September 1853 (Stsbl. n°. 102), hetzij „van die op de vereenigingen van 22 April 1855 „(Stsbl. n°. 32).

„Eene eenvoudige inzage van de eerstgenoemde wet „zal reeds terstond doen zien, dat die wet omtrent deze „quaestie niets hoegenaamd bevat. Zij is eene politiewet, „en schrijft ten aanzien van de kerkgenootschappen slechts „voor, wat in het vervolg door deze zal moeten geschieden „ten aanzien van zekere door haar zelve vast te stellen „bepalingen" 1).

Evenzoo Schokking: „Intusschen, de geaardheid onzer „wet in het algemeen, eene tot toezicht op de kerkgenootschappen, eene politiewet alzoo, is vreemd aan het „denkbeeld, dat daarnaar het rechtskarakter der kerkgenootschappen zou kunnen beoordeeld worden" *).

Er bestaat dus in onze wetgeving geen criterium, waaraan het rechtskarakter der kerkgenootschappen kan worden getoetst*). Aangaande de wijze van hun ontstaan zijn mede geene bepalingen gegeven. Vandaar een ruim veld voor discussie en in de meest verschillende richtingen heeft

1) Onze Constitutie blz. 320.

2) T. a. p. blz. 312.

3) De tiende titel van het derde boek van het burgerlijk wetboek geeft eveneens geen bevredigende oplossing. Wel nemen de meesten de toepasselijkheid van dezen titel op de kerkgenootschappen aan, maar óver de wijze waarop, heerscht groot verschil van gevoelen. Maar ook al neemt men de toepasselijkheid aan, dan blijft nog steeds de vraag open, welke rechtsgevolgen er voor de kerkgenootschappen uit voortvloeien ; vraag op de meest verschillende wijzen beantwoord, zooals uit het vervolg van dit hoofdstuk zal blijken.