is toegevoegd aan je favorieten.

Beknopte encyclopædie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LOLODA—LOMBOK.

tanaat Ternate, omvattende het N.W. deel van het N.schiereiland van Halmahéra. Het landschap bestaat uit een aaneenschakeling van tot aan de knst reikende nitloopers van het oentraalgebergte, die met zwaar bosch bedekt zijn. De hoofdkampong, zetel van den radja, ligt in de door eilandjes afgesloten baai van Loloda aan een riviertje, ongeveer een half uur van de monding daarvan en bestaat uit 2 Islamsche en 3 heiden kampongs, te zamen ongeveer 150 weerbare mannen.

Lodola, oudtjjds de poort der Moluocos genoemd, was in de 13e eeuw een onafhankelijk staatje, waarvan de radja aan het DJailolosche vorstenhuis vermaagsohapt was.

LOM. Zie ORANG LOM.

LOMBLËN, LOMBLÈM. Ben grillig gevormd eiland behoorende tot de Kleine Soenda-eilanden, gelegen tussohen 8° 10 en 8° 32' Z.B. en 123° 12' en 123° 54' O.L. en een deel uitmakende van de onderafdeeling Adonara en Lomblèn der tot de residentie Timor behoorende afdeeling Plores. Het eiland is bergaohtig en draagt eenige vulkanen, waarvan de hoogste zg'n : de Di Kédang (1530 M.) in het N.O. de Di Wariran (1450 M.) in het N.W, en de IU Labalëkan (1640 M.) in het Z. De bodem is over het algemeen vruohtbaar, maar de kustvlakten lijden onder watergebrek en zijn daardoor schaars bevolkt. Veel dichter is de bevolking in de bergstreken, vooral op de vulkaanhellingen. Het geheele aantal wordt op 31-32000 gesteld. Landbouw is het voornaamste bedrijf, djagoeng het hoofdgewas, waarvan men soms prachtige velden ziet. Er zgn veel klappertuinen. Aan de Zuidkust woont ook een visschersbevolking, in het landschap Lama Lërap.

LOMBOK, Landbeschrijving, Doot de inboorlingen Staak genoemd, het tweede in de rij der Kleine Soendaeilanden, gelegen op 8° 12' tot 9" 1' ZB. en 115° 40' tot 116° 40' O.L Znn oppervlakte wordt op 4990 KM* gesteld. Het is sedert 1895 een afd. der res. Bali en Lombok en is gesplitst in 3 onderafd.: WestMidden- en Oost-Lombok, elk onder een controleur. De bevolking werd op uit 1914 geraamd op 74 Europeanen, 468,000 inlanders, ruim 1000 Ohineezen, 425 Arabieren en een 60 tal andere Vreemde Oosterlingen,

Voornaamste ankerplaatsen: Ampënan aan straat Lombok, de baai van Laboehan Tring bg het Zuiderschiereiland, de baai van Pidjoe, Laboehan Hadji en Lombok aan de O.kust,

Lombok, dat ook wel Sélaparang wordt genoemd, bestaat, geografisch zoowel als geologisch, uit drie gedeelten: het Zuidelijk deel, met de twee naar O. en W.uitstekende sohiereilanden wordt gevormd door een zeer schaars bevolkt heuvellandschap, dat culmineert in het Maredjegebergte (729 M). Het veel grootere Noordelijke deel is jongvulkanisch, ofschoon een onderscheid moet worden gemaakt tusschen de wat oudere Oost- en Westranden en het jongste middenstuk. Dit laatste wordt ingenomen door den imposanten vulkaan Bindjani (3775 M.), welke onder VULKANEN nader zal worden beschreven.

Het kleinste middenstuk, ter breedte van ge' middeld ongeveer 5 K.M. in Z.O.-richting Ioopende, bestaat uit niet-geaccidenteerd terrein

en wordt door den G. Sasak en een uitlooper van den Bindjani verdeeld in twee vlakten: de vruchtbare, goed geirrigeerde vlakte van Mataram of Tjakranëgara, en de minder vruohtbare vlakte van Praja of Batoe Djai.

Het klimaat van Lombok komt in het algemeen met dat van Bali overeen. Zie overigens KLIMAAT.

De meest belangrijke plaats op Lombok is het bovengenoemde Ampënan, van waar vroeger een aanzienlijke uitvoer plaats had; de groote weg voert van hier over Mataram, Tjakra Nëgara, Narmada, Pringa Rata en Batoe Klian naar Laboean Hadji en Pidjoe aan de O.kust. De standplaats van den Assistent-Resident van Lombok en den Controleur van West-Lombok is Mataram. Vroeger was Mataram de zetel van Anak Agoeng Këtoet Karang Asëm, den kroonprins, zoon van den laatsten Vorst; de laatste hield meest verblijf teTjakra Nëgara, dat sleohts door een sawahveld van Mataram gesoheiden was. De groote vorstelijke poeri te Tjakra Nëgara bestaat niet meer. De verschillende lustverblijven zijn eohter gespaard gebleven: „Majora" bjj Tjakra Nëgara, dat als rechtszaal gebruikt wordt; het bekende en schoone Narmada aan den grooten weg van W. naar O.; Lingsar met de heilige palingen en Goenoeng Sari.

Onder de voortbrengselen van het eiland vermelden wij in de eerste plaats de rijst, waarvan Lombok gewoonlijk meer oplevert dan voor de behoefte der bevolking noodig is, zoodat hiervan jaarlijks nog groote hoeveelheden kunnen worden uitgevoerd. Droge rijstvelden komen weinig voor. Verder levert Lombok koffie, indigo, mals, suiker, katjang, katoen, enz., doch een en ander sleohts in geringe hoeveelheid. Kokospalmen zijn hier niet in zoo grooten overvloed aanwezig als op Bali, terwijl arèn- en lontarpalmen bepaald schaarsch kunnen worden genoemd.

Flora en Fauna. De natuurlijke plantbekleeding komt, hoewel Lombok op het Australisch gedeelte van den Archipel gelegen is, vrg wel met die op Bah overeen. Grooter is echter het versohil wat de fauna betreft. Tijgers en andere wilde dieren ontbreken er geheel. Daarentegen komen hier onder de vogels tal van soorten voor, als papegaaien en parkieten, die ten Westen van Straat Lombok worden gemist. Onder de tamme dieren verdienen vooral melding: runderen, karbouwen en paarden. De laatste zgn van een grooter en fraaier ras dan de Balische en werden vroeger veel naar Mauritius en Bourbon (tegenwoordig Réunion geheeten) uitgevoerd.

Bevolking. De bevolking bestaat uit BALIERS, SASAKS en een klein aantal BODHA'S. Zie op die namen.

T a a L De taal der Sasak's is nog zeer weinig bekend; een samenvattende voorstelling daarvan is nog nergens gegeven; uit de gegevens blijkt dat ze nader bij het Soembawa'sch dan bij het Balisch staat, althans wat den woordenschat betreft; een eigenlijke Sasaksohe letterkunde bestaat er niet, (althans voor zoover bekend).

Gesohiedenis. De eerste aanraking der Oomp. met Lombok had plaats in 1674, toen een expeditie onder Holsteyn eenige plaatsen veroverde en een contract (19 Maart 1675) met de Lomboksche regenten gesloten werd. In 1740