is toegevoegd aan uw favorieten.

Godsdienstwetenschap

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRAAL.

107

de Christelijke lijn (die 't scherpst uitkomt in de sage volgens de Borron) en de beidensch-ridderlijke lijn, die bi) Chretien de Troyes en Wolfram op den voorgrond komt. — De le (Christelijke) lijn ziet jn Jozef van Arimathea den eersten bezitter van de hl. G. De G. is hier de avondmaalschotel, door Jezus gebruikt bij het laatste Avondmaal (Mt. 26, 13). Jozef van Arim. komt, volgens het verbaal, na Jezus dood in het bezit van dien schotel, en als bij Jezus' lijk wascht, beginnen diens wonden opnieuw te bloeden, en vangt Jozef het bloed in dien schotel op. Na allerlei wederwaardigheden neemt Jozef den G. mee naar het verre Oosten, waar de G. allerlei wonderen doet, waar een zoon van Jozef, Galaad genaamd, G.-koning wordt, totdat een onzichtbare hand den G. van de aarde wegneemt. In een variant is de G. de kelk waarmee Jozef van Arimathea de eerste mis celebreerde. — De 2e (heidensche) lijn heeft een heel andere omgeving. De Gsagen zijn hier verbonden aan figuren als Persefal en Artus. De G. is hier niet de avondmaalsschotel, maar een uit den hemel gebrachten steen of een edelsteen of een voorwerp met edelsteenen bezet, en dat als een kostbaar kroonjuweel in een tempelburcht door een graalkoning wordt bewaakt. In dezen cyklus treedt ook op het „zoeken" van den heil. G. (Persefal). Het groote probleem van den heil. G. is: waar ligt de oorsprong ? Wat is de heil. G. oorspronkelijk ? En daarmee in verband: komt de G.-sage uit Christelijke sfeer en ging later over in de heidensche ridderlegenden, of is het een verchristelijkt heidensch motief? Zij, die aan een oorspronk. Christelijke legende deuken, zien doorgaans het uitgangspunt in Mt. 26 : 23 in verband met de gesta Pilali. Dr. Sterzenbach (Ursprung und Entwickelung der sage vom heiligen Gral. 1908) denkt aan een draagbaar altaar, dat in de geschiedenis der West.-Goten een groote rol speelt, en dat later door zijp altaar-karakter gemakkelijk werd verbonden met den avondmaalsschotel of -kelk van Christus. Zij, die aan heidensche motieven denken, laten de G.-sagen ontstaan öf in den cyklus der Keltische ridderlegenden, die met 't doorwerken van het Christendom vanzelf mee werden verchristelijkt, öf men denkt aan een oude natuurmythe, welks oorsprong men, hetzij in Indië (L. von Schröder), hetzij in vóór-Azië zoekt (Ross). In het laatste geval ligt de nadruk op het „zoeken" van den heil. G., en wordt dat zoeken de zinnebeeldige uitdrukking voor het „zoeken van het leven", dezelfde gedachte die zich uitspreekt in de Voor-Aziatische onsterfelijkheids- en opstandingsmythen, aanknoopend aan figuren als Adonis G, Tamoez G, e. a. en die zich ook uitspreekt in de Alexander-Chidr-legenden. Het is onmogelijk ten deze besliste uitspraken te doen, maar het komt mij 't meest waarschijnlijk voor dat de G.-gedachte inderdaad wil uitdrukken het zoeken naar het verborgen leven, een voorstelling, die in de heele oude wereld bekend was, en die zich gereedelijk liet aanpassen aan de Christ. avondmaalsgedachte als een „geneesmiddel der onsterfelijkheid". Maar zoowel in de Christ. als in de heidensch-Keltische recensies werd die gedachte door andere verdrongen. —• Omtrent de eig. beteekenis van den naam „graal" staat niets vast. Van de tallooze pogingen tot verklaring van den naam is er niet één die bevredigt.