is toegevoegd aan uw favorieten.

Levensgang

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hein zag nu pas juffrouw Eva; 'n hevigen schok voelde hij; verlegen wou hij wegkruipen, de gang in, om z'n woesten uitval. Maar dan zag ie 't afgeblufte gezicht van Swarthuizen weer, met toch minachting op z'n snuit, en. wèg was weer z'n verlegenheid. In lange passen liep ie door naar Eva's plaats. Gedwongen-kalm vertelde hij onder 't spottend, onderbrekend gelach van al de klovers rondom, dat die meneer daar, hem van 't kastje naar den muur wou sturen, maar hij zoo'n grap met zich niet verkoos. Onder 't spreken wond ie zich op, z'n oogen en wangen gloeiden. Verbaasd keek Eva 'm aan, met iets als medelijden in haar blik voor dien langen jongen, die zoo rond-weg de voor-den-gek-houderij vertelde, en iets van vage sympathie voor z'n durf, z'n losheid, om zonder dat hij 't zelf wist1 in korte, flinke, stootende woorden de lamlendigheid van Swart-,; huizen te geeselen. Toch vond ze iets erg brutaals en plats in' die nijdig-grijze oogen, in dat hoekige, scherpe hoofd. Even keek ze'm lang, doordringender aan. Leelijk is ie, dacht ze stilletjes er tusschen door.

Swarthuizen wou 'm aldoor onder 't spreken onderbreken, allen; ernst van 't gevalletje in minachtend lippengeblaas wegdringend; maar telkens had Eva hem dit met 'n paar scherpe st! st! belet.

Toen had Hein haar eerst goed durven aanzien. Die oogen, die groote, die diepe kijkers, wat brachten z'm in de war vanbinnen! Toch zou ie zich goed houden. Maar wat keek ze lang door, dóór, zonder even te knippen met oogleden. En als Lepper ondershands haar iets het zien en hij even staakte, dan voelde hij zich echt grof tegenover zoo'n piekfijne dame, met haar uitgeurende rijke voor-; naamheid» Z'n stem en woede voelde hij onder haar doordringend gekijk wegsmelten; hij voelde dat ie geen houvast meer zou hebben aan z'n eigen drift. Toch sprak ie nog éven en op 't end hoorde hij z'n eigen stem als komend van 'n vreemde, vlak naast 'm.

Zacht zei Eva, iets van z'n verlegenheid bemerkend:

— Maar in elk geval hoeft u niet zoo op te stuive;... als u meent dat ze u wille foppe, dan kunt u je toch direkt bij pa of bij mij beklage.

Hein begreep er niets meer van. Eerst had ie in haar oogen bescherming gevoeld, iets zacht doordringends, dat 'm half versufte en toch rust gaf; iets dat afstootte in voorname meerderheid en toch têer meeging. En nou hoorde hij bestraffing in haar stem. Op keek ie naar Swarthuizen en de anderen. Lachen zag ie ze weer allen, hoonend en treiterend. Weg was weer de bedeesdheid in 'mi niets meer begreep, overdacht ie, alles borrelde in 'm van drift. Net zoo hard bijna als straks riep ie:

— Maar juffrouw, ü heb ik niet gezien, en me later gaan beklage dat ze me voor de mal hebbe gehouê,... dat vind 'k laf en kruiperig... Eerst beleediginge en jij-en-jou-geroep en vuile woorden over je heen late gaan,... nee juffrouw, dat ligt niet in m'n karakter... Als me gekrenkt wordt, moet me direkt terug

116