is toegevoegd aan uw favorieten.

Rapport aan den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen betreffende de hoofdlijnen, waarlangs de overheidsbemoeiing met de lichamelijke opvoeding zich zal hebben te bewegen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De aanwezigheid van het Stadion maakt de hoofdstad tot het centrum van sportbeoefening.

In geen enkele andere plaats is het aantal en de verscheidenheid van onderwijs-inrichtingen zoo groot als te Amsterdam. Kortom, leeraren en leerlingen (studenten) vinden daar een milieu op paedagogisch en sportief gebied, als nergens anders, en dit is toch voor de vorming van leerkrachten van het meeste belang.

Ten slotte zij gewezen op de wenschelijkheid, aan het Instituut te geven: het „jus promovendi".

De leeraren, aan het Instituut verbonden, zullen de leerlingen (studenten) beter kunnen beoordeelen dan de beste examinatoren van „buitenaf", die toch altijd moeten steunen op den indruk van het oogenblik en die is, in het algemeen, vrij onbetrouwbaar.

Het meest afdoende zal dus zijn: aan het Instituut het promotierecht toe te kennen.

II. Brief van het College dd. 18 Juni 1918 .No. 12 aan den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken betreffende het ontwerp van het Nederlandsch Olympisch Comité voor een Rijksinstituut voor Lichamelijke Opvoeding.

Het College acht het tot stand komen van een Instituut als ontworpen door het Nederlandsch Olympisch Comité, van groot en dringend belang. Al zal niet onwaarschijnlijk het stelsel van lichamelijke opvoeding in Nederland in de naaste toekomst gewichtige veranderingen ondergaan, welke nu nog niet als richtsnoer kunnen dienen, in ieder geval zal het degelijk opleiden van de onderwijzers en het scheppen van eene inrichting voor wetenschappelijk onderzoek op het gebied der lichaamsoefeningen een zeer voorname behoefte blijven. Het zoo spoedig mogelijk aanvangen met de voorbereidingen, welke het stichten van een Instituut voor de Lichamelijke Opvoeding noodzakelijk maken, wenscht ons College sterk aan te bevelen.

Het College is van meening, dat de resultaten van het Instituut slechts dan van beteekenis kunnen zijn voor de lichamelijke opvoeding, wanneer de leidende zoowel als de onderwijzende krachten vooraf een degelijke en volledige voorbereiding hebben ontvangen.

Meer nog dan dit uit het ontwerp blijkt, acht ons College het wenschelijk, dat het Rijksinstituut zoodanig worde ingericht, dat het behalve een vakschool tot vorming van leeraren in de lichamelijke opvoeding, tevens eene inrichting zij, waar langs wetenschappelijken weg een oplossing kan worden gevonden van de verschillende vraagstukken, die zich bij de lichamelijke opvoeding voordoen. Dit beginsel zou o.a. er toe moeten leiden, dat een laboratorium en eene bibliotheek ter beschikking van het Instituut komen.

Ons College meent, dat het in het leven roepen van een faculteit der Lichamelijke Opvoeding aan een onzer Hoogescholen op zeer ernstige bezwaren zou stuiten. Verkieslijker wordt geacht de instelling van een vakschool, geschoeid op de leest van Hooger Onderwijs.

Ons College, hoewel overtuigd, dat het onderwijs van massage en heilgymnastiek eene plaats in een dergelijk instituut moet innemen, acht zich niet bevoegd Uwe Excellentie van advies te dienen hoe dit onderwijs geregeld dient te worden, doch wenscht U met aandrang in overweging te geven, hieromtrent het advies in te winnen van den Centralen Gezondheidsraad.

Ons College zag gaarne de te onderwijzen vakken uitgebreid met het leervak paédologie. Hoewel deze wetenschap nog slechts in den aanvang harer ontwikkeling is, zal het juist eene zijn, die de wetenschappelijke grondslagen der Lichamelijke Opvoeding zal moeten helpen opbouwen.

Het leervak pathologie zag ons College gaarne veranderd in „Algemeene pathologie". ,

Bij de practische vakken dient het onderwijs m het zwemmen te worden m-

gelascht. j__

In overeensteniming met de in de algemeene beschouwingen van het ontwerp aangegeven beginselen acht ons College het wenschelijk, dat uit het leerplan bhjke,

90