Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BALI EN LOMBOK

489

periodiek de recognitie voor de dësa werd gevorderd. Beperking van sawahvervreemding treft men enkel nog aan in achterlijke bergdorpen; verbod van sawahvervreemding komt nog voor in die ouderwetsche dorpen, waar het dësalidmaatschap van weinige kerndorpers aan een bepaald grondbezit verbonden is. Op Bali, waar men sawahs ongaarne vervreemdt, was vroeger voor het overdragen van grondbezit tusschen dorpsgenooten geen vorm vereischt, al deed men wel door den klian dësa een bewijsstuk opmaken en al moest overdracht van sawahs worden gemeld aan het soebakhoofd voor zijn register; overdracht van sawahs aan niet-dorpsgenooten echter moest meestal geschieden ten overstaan van pambekel en sedahan, waarna door een klerk van den vorst een slechts door den verkooper geteekende koopakte, padol, werd opgemaakt. Sinds staatsblad 1881 n°. 228 evenwel geeft het districtshoofd, na zich bij dorpshoofd en ondersedahan dan wel soebakhoofd vergewist te hebben dat de sawah inderdaad van den verkooper is, een vergunningsakte (soerat panoegraha) tot verkoop af, waarmee partijen naar den controleur gaan om, door dezen een verkoopakte te zien opmaken en in een register boeken, welk laatste nu voor verkoop van allen grond in Boelëlëng en Djembrana voorgeschreven is op straffe van nietigheid. Verkoop van sawahs moet na de verrichtingen van den controleur worden meegedeeld aan het soebakhoofd; beschouwt soms de bevolking het overboeken in het soebakregister als de overdracht van het veld? De familiegronden in oudere dorpen golden aanvankelijk als onvervreemdbaar, doch werden toch in later jaren eerst voor hooge leensommen verpand, somtijds zelfs verkocht. Verdeeling van onvervreemd gebleven familiegrond geschiedt, als daartoe aanleiding rijst, meestal bij minnelijke schikking en, in geval van droge velden, onder goedkeuring — krachtens het hoogere beschikkingsrecht — van de dësavereeniging. De vorsten op Bali mochten hun domein niet vervreemden; de dorpen en de soebaks op Lombok mochten de gronden, die in hun bezitrecht waren, wel vervreemden. Volgens het adatrecht op Bali heeft de bezitter van grond eenerzijds te gedoogen, dat een ander zoo noodig over dien grond een waterleiding graaft en zijn water daardoor voert, anderzijds te gehengen, dat overtollig bevloeiingswater van buurvelden over zijn land wordt afgevoerd ; beide zonder recht op vergoeding, doch het eerste som-

Sluiten