is toegevoegd aan je favorieten.

Het Christelijk leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

294]

5E ONTWIKKELING VAN HET PERSOONLIJK CHRISTELIJK LEVEN.

onzer daden, niet in oorzaken of uitkomsten. Vooral tegenover dit laatste begrenst Martineau het zedehjke: de prudence berekent, volgt de sterkste impuls, het zedehjk oordeel richt zich op de hoogste x). Wij kunnen echter het doel niet geheel van het motief afscheiden. Bepaalt het goede of de kennis of het geluk als 't hoogste goed het leven, dan oefent het toch ook drijfkracht en is drangreden; dit zien wij in de antieke moraal duidelijk. Wanneer nu het uitzicht op de gevolgen van ons zedehjk leven niet kan vervallen en toch berekening een onzuiver motief is, zoo ligt hier een probleem, dat wij voor en na allerwege in de moraal ontmoeten.

Bij de causale behandeling is de zaak eenvoudiger. Ongetwijfeld verlaten wij het zedehjk terrein, wanneer wij zonder ziften van goed en kwaad, de menschelijke bewegingen en handelingen uit natuurlijke oorzaken afleiden, uit aanleg, verhoudingen, omgeving verklaren. Motiefloos echter, d. i. geheel buiten de zedehjke tegenstelling, leeft niemand; al trachten velen in theorie en in praktijk niet meer te zijn dan een stuk natuur en zich te laten leven, zij slagen daarin slechts gedeeltelijk. Zoo klinkt het ons niet slechts cynisch, maar oppervlakkig in de ooren, wanneer Nietzsche onze lagere handelingen aan vrees toeschrijft, de gemiddelde aan gewoonte, de groote daden aan ijdelheid. Hoezeer verminkt of verzaakt, er schuilt toch in elk leven een stukje ideaal, waarop het streven zich richt.

Wel ontbreekt het velen aan constante, doorgaande motieven; her- en derwaarts geslingerd, verrichten rij wat zij doen heden uit deze beweegreden, morgen uit een andere. De vraag: waar leef ik voor? en het betrekken van alles op dit eene doel, zoodat er vast motief is niet slechts voor hun enkele daden, maar voor hun karakter: dit missen wij bij hen. Ik spreek hier niet van een „beginsel" of doctrine, want wie de menschen en zichzelf kent weet hoe weinig intellectueele, theoretische

*) Zie hierover dr. G. J. Heering Het zedelijk oordeel 1906.