is toegevoegd aan uw favorieten.

Een eeuw veeartsenijkundig onderwijs

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

94

De Wet van 8 Juli 1874 (Stbl. No. 99).

tementen, niet uit de gedachten der wetgevers. In '54—'55 was er tusschen de regeering en de volksvertegenwoordiging schriftelijk overleg gepleegd over een wetsontwerp tot uitoefening van de veeartsenijkunde en van de voorwaarden tot verkrijging van de bevoegdheid van veearts. In Dec. '68 werd het eerste ontwerp weer aan* geboden, maar na een voorloopig verslag en een memorie van antwoord met nota van wijzi* gingen werd in Juni '70 door de regeering ver* zocht het niet verder in behandeling te nemen, daar de wensch te kennen gegeven was, dit onderwerp te laten samengaan met een wet over het veeartsenijkundig onderwijs.

In 1874 voldeed Minister Geertsema aan dat verzoek en zond het wetsontwerp met een zeer sobere memorie van toelichting naar de Tweede Kamer der Staten*Generaal. De toe* lichting kon ook moeilijk anders zijn, want het ontwerp omvatte in hoofdzaak alles wat reeds bestond, had de bedoeling hieraan wette* lijke sanctie te verleenen. De waarde der vee* artsenijkunde voor de maatschappij, het belang der veeartsen voor den veestapel en de land* bouwende bevolking, het groote nut van goed veeartsenijkundig onderwijs waren reeds vanzelf sprekende zaken, behoefden geen nadere verklaring.

Zoo scheen ook de opvatting van de Tweede Kamer te zijn; zoowel het voorloopig verslag als de handelingen bevatten geen van beide principieele zaken van groot gewicht. Voor ons veeartsen is de lectuur niet steeds even prettig. De waardeering van onze wetenschap was in het oog van enkele leden niet groot. Er werd gevreesd, dat de veearts, als de nieuwe wet in werking kwam, een te wetenschappelijk man zou worden en zich te hoog zou voelen voor den dagelijkschen omgang met veehouders en landbouwers, wier raadsman hij moest zijn. Een empiricus staat dichter bij en boezemt meer vertrouwen in 1 Bij het toelatingsexamen moest niet te veel gevergd worden, want niet alleen jongens uit den beschaafden stand, maar ook boerenzoons moesten naar de school (alsof die geen hersens hadden). Vooral matig zijn met het eischen van kennis van moderne talen; lezen, schrijven en rekenen was vol= doende. Het moesten vooral practische men= schen worden. Veeartsenijkunde is immers een ervaringswetenschap! Gelukkig gingen de meeste leden hierin niet mede en meenden, dat de veearts om aan zijn roeping te kunnen voldoen een zekere graad van ontwikkeling en beschaving niet kon missen.

Kwesties als de plaats van vestiging (al of

niet academiestad), al of niet samengaan met de Rijkslandbouwschool namen een groot gedeelte van het voorloopig verslag in. Feite* lijk raakte slechts één punt de kern van de zaak namelijk dat, hetwelk de eischen aan den veearts te stellen, betrof en hierop werd door de regeering terecht geantwoord, dat vermin* dering van leervakken en verlaging van de eischen halfweters maakte, die minder zouden zijn dan de veeartsen, die in de laatste jaren waren afgeleverd en dat het algemeen be* lang wetenschappelijke menschen eischte.

Bij de behandeling in de Tweede Kamer was de eenigste kwestie, die de tongen los maakte, of naast de veeartsen van de school te Utrecht of van veeartsenijscholen in het buitenland ook nog ieder ander de veeartsenij* kunde mocht uitoefenen. Feitelijk behoorde dit niet eens thuis bij dit wetsontwerp, maar door de uitdaging van Minister Geertsema den strijd maar uit te vechten, ging de Kamer eenige wijzigingen in het wetsontwerp aan* nemen, waardoor acte van bevoegdheid tot het uitoefenen der veeartsenijkunde werd ver* anderd in diploma van veearts, de kwestie van de bevoegdheid werd blauw*blauw gelaten om bij de wet op de uitoefening der veeartse* nijkunst beslist te worden.

In de Eerste Kamer, waar de besprekingen maar enkele bladzijden druks van de hande* lingen uitmaken, kwam de heer Buchner met den vraag, waarom dit onderwijs middelbaar en niet hooger werd genoemd. Hij wees er op, dat aan middelbare scholen werd gelee* raard wat als het ware geijkt was, vast stond, terwijl aan de Rijks*Veeartsenijschool toch ook naar grootere volledigheid, uitbreiding, proef* ondervindelijk onderzoek gestreefd zou worden.

„Men zij niet te angstig het onderwijs te hoog op te voeren". Hoewel het programma van vakken breed opgevat was, vreesde hij, dat in de toepassing niet zooveel ruimte van opvatting zou bestaan als bedoeld was.

Reeds bij een vroegere gelegenheid had de regeering opgemerkt, dat de kweekelingen geen lessen aan de universiteit moesten volgen, waar het onderwijs van veel breedere opvattingen getuigde, maar dat het voor den directeur en leeraren van belang was in een centrum van wetenschap te wonen. Nu antwoordde de Minister, dat, als kennis genomen werd van zijn ontwerp van wet van het hooger onder* wijs, men wel zou kunnen zien, dat deze van een geheel andere geest getuigde en dat men dan ook zoü kunnen waarnemen, dat de poly*