Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

498

verdragen waren van het standpunt der Venezolaansche regeerimg uit bezien onaannemelijk. Het eerste, omdat, nevens de wederaanknooping der diplomatieke betrekkingen (art. 1), daarbij de afschaffing van het additioneel recht bepaald was (art. 2). Om dit onderwerp, dat met het afbreken der diplomatieke betrekkingen niet te maken had, in het ontwerp te passen, was eene vernuftige oplossing bedacht: in de overwegingen van het protocol werden nl. de moeilijkheden voor een deel aan den Curacaoschen smokkelhandel toegeschreven en deze weer aan het additioneel recht. Om nu die moeilijkheden in het vervolg te voorkomen, zou Venezuela de 30% mbeten afschaffen, terwijl Nederland van zijn kant in de overwegingen van het ontwerp zich bereid verklaarde, om met het beginsel van vrijen handel ten opzichte van de Curacaosche scheepvaart te breken. Uit artikel 3 bleek intusschen, dat dit slechts hierop neerkwam, dat de schepen uit de kolonie Curagao voortaan een bewijs van uitklaring zouden moeten vragen, waarin de bestemming van het vaartuig vermeld werd, hetgeen herhaald werd in artikel 12 van het tweede ontwerp. Daardoor zou dan gebroken worden met de altoos bestaan hebbende en nog bestaande, op geen rechtsvoorschrift steunende praktijk, om de schepen uit te klaren „naar zee" of „op avontuur", waardoor het koloniaal bestuur feitelijk belet werd en wordt, om toezicht op den smokkelhandel te houden (Mr. G. J. Fabius, „de Curacaosche bank", Economist 1913) bl. 298). Daar de Nederlandsche regeering niet beloofd had om den smokkelhandel strafbaar te stellen of althans straf te stellen op eene valsche aangifte van bestemming, had deze concessie voor de Venezolaansche regeering geen al te groote beteekenis. Zij daarentegen zou beloven om de 30% af te schaffen, zich dus een verhes van harer inkomsten (bl. 351) moeten getroosten, daar Engeland wel niet na zou laten, om krachtens het handelsverdrag van 1834 op een zelfde tegemoetkoming aanspraak te

Sluiten