is toegevoegd aan uw favorieten.

De schilderkunst in België van 1830 tot 1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHILDERS VAN HET HEDENDAAGSCHE VOLKSLEVEN.

103

Heel wat moderner zijn de in 1890 uitgevoerde stukken „Ploegen" en „Schofttijd der Visschers". Meesterlijk in 't eerste, die logge stevige, Veurnsche rossen, met bijna tastbare vormen, levend van beweging; treffend waar het gaan en doen van den ploegman; de grond vettig, zwaar, voelbaar half vochtig; juist de toon van de lucht, half in dampen op den achtergrond; niet minder heerlijk, in het tweede, zeer groote stuk, een groot rosbruin paard met geelachtige manen, huiverend in de natte lucht van de wij dstrekkende „kallen"; goed gezien en weergegeven de visschers, deze voedend het paard, gene het tuig in het water wasschend, een derde zijn manden ladend op den rug van het dier.

Larocks „Idioot", in de Driejaarlijksche van 1894 tentoongesteld en voor het Antw. Muzeum aangekocht, is een bladzijde vol van het diepste medelijden voor die rampzaligen, welke, op den buiten vooral, aan zoovele plagerijen zijn blootgesteld. In een afgelegen hoekje te midden van steengruis en wat karig gras, heeft de arme onnoozele zich verscholen. Hij zit daar neergehurkt, de pet schuins op het domme dikke hoofd, en kijkt met schuwen, smeekenden en tevens verwijtenden blik, den schuwen blik van een opgejaagd dier, de kwajongens aan, die hem tot daartoe achtervolgd hebben. Onmogelijk zou men 't achten, dezen idioot zoo eenvoudig en toch zoo treffend voor te stellen. Al het wee van zulk een verwilderd bestaan schreit uit dit figuur ons toe, en toch blijft de geheele voorstelling volkomen vrij van elke sentimentaliteit. De kleur is wat zij wezen moet: schraal, droef, pijnlijk.

Zijn „Schramoelierapertje", Muz. van Brussel, zijn „Visschertje", verzameling van den schrijver dezer regelen, tal van andere meestal niet groote stukken zijn niet minder degelijke kunst en doen het betreuren, dat deze rijk begaafde, in 1865 geboren artiest, reeds in 1901 door longtering werd weggemaaid.

Ook „de Strijd om het Bestaan" van Hendrik Luyten *) is door en door modern. Modern door de behandelde stof: ëèn tooneel uit een werkstaking in de Belgische mijndistrikten; modern ook door de behandeling, waarin wij tegelijk het streven der realisten en der luministen opmerken.

Een tafereel van een twaalftal meter in 't vierkant, vol figuren

*) Sedert 1916 in het Antwerpsen Muzeum. Lid geworden van den Muzeumraad, bood Luyten het reusachtig drieluik aan als „don de oyeuse entree". De Stad en de Muzeumraad aanvaardden het dankbaar....