is toegevoegd aan uw favorieten.

Een liefde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

■doen; toen een gekraak op de trap. Zij ging voor 't raam «taan en draaide zich langzaam om toen hij binnenkwam.

„Wat ben jij vroeg; boven is alles nog in zoete rust." Zij omhelsden elkander.

„Laat me je eens bezien. O, wat ruikt ze lekker; ik ben tevreê over^ mijn klein meisje; ik ben er erg gevoelig voor. Zeg, er zijn kabouters op mijn kamer geweest. Toen ik in bed stapte, stootte ik tegen iets hards en erg kouds; ik vloekte eerst, geloof ik. Toen ben ik er maar weer uitgegaan en heb met mijn hand gezocht tusschen de lakens. Lieveling, je bent heerlijk. Ik heb ze direct aangedaan vandaag." Hij toonde de parelmoeren manchetknoopen.

„Hoe kwam je er toe, puriteinsch meiske, om die onder m de lakens te leggen; was dat wel erg „comme-il-faut? Goed, dat je moeder daar niets van af weet!"

Zij stonden nog steeds voor 't raam. De tuinen aan den overkant waren maar wazig te zien. 't Was mistig geworden; de boomstammen lijnden groen op tusschen de donzen takjes. Het kippengaas op de schuttingen bij de buren, dat voor de katten was aangebracht, deed denken aan grove tulle. Op de bestoven grasvelden hipten de merels.

„Zeg, hernam hij, zou je nu al niet met me mee willen gaan om heelemaal buiten te wonen? Ver af van de stad van je moeder en broer? Zou je dat met me aandurven?" „O, waar denk je toch aan ? 't Is nog zoo vreeselijk ver-af." „Denk je er nu eens even in. We staan des morgens vroeg, op ... jij moet voor alles zorgen, natuurlijk laat ik je na 't ontbijt alleen, je moet zelf je dag vullen, de dienstmeisjes naloopen ; des avonds ben ik misschien wel eens weg, voor zaken, hé,... en dan zit je alleen, dan is 't buiten erg stil... zou je dat kunnen verdragen en je niet héél ellendig en eenzaam voelen?"

„Als jij nu maar bij me was, maar zoo alleen..." „En zoo is 't huwelijksleven toch." „Maar we gaan toch niet op 't land wonen?" „Och, je weet 't nooit, hè?"

„Ik zou 't wel kunnen... voor jou." Ze volgde met den wijsvinger den vorm van zijn oor.

„En dan de avonden, dat we samen zouden zijn... O, snak je daar niet naar... en naar... Och, waarom niet over

Een Liefde. S