is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg, 1496-1772

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ACADEMIE

aan de ééne zijde een dergelijk gebouw met eene deur en eene balustrade op het platte dak, aan de andere zijde eene grot(?) met boomen vóór den ingang.

Zoo was dus in de jaren 1633 tot 1636 het decoratief van den voornaainsten Parijschen schouwburg; het komt overeen met hetgeen wij weten van het decoratief, dat men in de eerste jaren der I7de eeuw in ons land gebruikte. Alleen is het niet zeker, of bij ons het docoratief drie zijden van het tooneel innainr of slechts eene enkele, den achtergrond.

Voor onze kennis van het tooneel der Academie hebben wij twee bronnen, eene prent en een inventaris. De prent is van Klaas Jansz. Visscher1) en gemaakt bij de viering van het eerste jaarfeest der Academie op 1 Augustus 1618 ; de dag van het leggen van den eersten steen werd n.1. beschouwd als de jaardag der vereeniging. Het tooneel springt aan de beide zijden iets vooruit, want in het midden werd een gedeelte van het proscenium afgenomen door twee trappen — men ziet daarvan op de prent de bovenste trede — die van den bak naar het proscenium voerden. Bij de hoeken, die daardoor gevormd werden, stonden twee beelden, aan de ééne zijde eene vrouw met een krans op het hoofd, in de rechterhand een zwaard en in de linkerhand een boek, waarin men de woorden las :

Redenen rijcklijc Ivert men blijcklijc,

aan de andere zijde een oud man met een houten been.2) Aan den balk boven het tooneel was in het midden het blazoen der Academie, een bijenkorf met het woord Yver.a) Sedert 1630 versierde een borstbeeld van Prederik Hendrik het tooneel.4)

Zooals blijkt uit de figuurtjes, die op de prent staan afgebeeld, geeft zij ons een tafereel te zien uit het gelegenheidsstukje Gheselschap der

x) Zij is gereproduceerd in De Oude Tijd, Haarlem 1872, tegenover blz. 120, met een bijschrift van den Heer Louis Splitberger.

2) Splitberger vermoedt, dat de vrouw de martelares Sinte Lucia was, naar wie het Weeshuis, vroeger St. Lucienklooster, nog wel genoemd werd, en dat de man het Oudemannenhuis vertegenwoordigde (?).

s) De zinspreuk der Academie was : Fervet opus, redolentque thymo fragrantia mella, een versreg^Tvan^Virgilius (zie Georgica, IX, vs. 169, en Aeneis, I, vs. 436). 4) Vgl. Unger's Vondel, 1630—1636, blz. 24.

50