is toegevoegd aan uw favorieten.

De positie van den eigenaar van onroerend goed tegenover het onteigeningsrecht en gebruiksrechten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

107

het geijkte middel om rekening te houden met de draagkracht. Zoo naar het oordeel des schrijvers hierbij er niet genoeg rekening mede gehouden wordt, bepleite hij hervorming van het gewone belastingstelsel. Voorts wordt bij de Mihtiewet het gros der rijkeren gelijkelijk getroffen.

Het gevaar zou bovendien ontstaan, dat men bij voorkeur onroerende goederen van meer gegoeden ging onteigenen, omdat dit voordeehger zou zijn, met name voor de openbare kassen.

§ 6. Het beginsel van de gelijke belasting naar draagkracht en de tegemoetkoming eraan hg de betreffende instituten.

Telkens kwamen wij bij onze voorafgaande beschouwingen op deze vraag terug: „Is het geven van vergoeding bij onteigening en het uitoefenen van een medegebruiksrecht noodzakelijk, omdat anders hier een ontoelaatbare inbreuk gemaakt wordt op het beginsel van gelijke belasting naar draagkracht".

Wij hebben hier, gelijk betoogd, te doen met een bijdrage ten behoeve van algemeene belangen en wel ter positieve bevordering ervan. Zoo er geen vergoeding gegeven wordt, wordt de afdrage daardoor grooter. De verphchting ertoe treft iemand op grond van zijn vallen binnen het terrein, waarop de rechtsorde, die deze wijze van afdrage gewenscht vindt, gezag heeft. Want er is geen reden, waarom het geldende recht sommigen van degenen, die onder zijn ressort vallen, zou vrijstellen van deze verphchting tot afstand.

Het gebruikelijke middel om bijdragen te bekomen ter bevordering van algemeene belangen, is het heffen van belastingen in den technischen zin des woords. Dat hierbij leidend principe is, dat de belastingen gelijk moeten drukken naar draagkracht, zal geen bestrijding vinden. Evenmin kan ontkend worden, dat de middelen tot doorvoering hiervan ontbreken. Ieders draagkracht valt te constateeren. Het maken van onderscheid valt gemakkelijk door verschil in percentage aan te nemen.

En toch heeft men, bij de steeds grooter wordende behoeften der openbare kassen dezen gedachtengang niet con-