is toegevoegd aan uw favorieten.

Asmus Sempers jeugd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

QO

de sneeuw van zijn kleeren en liep verder. Maar de sneeuw die bij 't vallen aan zijn vingers was blijven zitten, smolt en de vingertjes werden stijf en begonnen te kriebelen en zeer te doen. Nu stond hij weer voor een tweesprong. Hij keek om en barstte toen uit in een schrikkelijk gehuil. En huilend hield hij rechts, voortdurend

trap trap trap trap trap trap

en daarbij onophoudelijk huilend

Hoe—oe—oe—oe—oe—oe—oe—oe

daar — daar sprong een dier over den weg, een heel dun, slank dier, 't was een wezel, maar hij kende het niet; hij stond plotseling stil en keek het zwijgend met opengesperde oogen na. Toen begon hij weer te loopen met Hoe—oe—oe—oe—oe—oe—oe—oe

en Asmus Semper en deze zijn geschiedenis zou misschien een ontijdig einde gevonden hebben in de sneeuw, als niet plotseling, gelijk soms de redding om een hoek onzen weg inslaat, juist zoo plotseling den hoek om een lange gedaante met vliegende jaspanden den weg opgekomen was. De gedaante riep en zwaaide met zijn armen, maar daar haar gezicht van 't weinige licht was afgekeerd, zag ze er uit als een zwart man en Asmus dacht: «Dat is de doode broer van Adolfine Mozes!» hij maakte gauw rechtsomkeert en liep als een razende weg. Maar nu hoorde hij zijn naam: «Asmus! Asmus!» werd er geroepen — en de stem kende hij ook — hij bleef staan en keek om en in lange sprongen fladderde de wolkenschuiver op hem toe.