is toegevoegd aan je favorieten.

Zions roem en sterkte of Verklaaring van de Nederlandsche geloofsbelijdenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

292

ARTIKEL XII.

manneken gebaard had. Inwendig door allerlei aanvechtingen en kwellingen, 1 Petr. 5 : 8. Zijt nuchteren en waakt: want uw tegenpartij de duivel gaat om als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden.

Vraag. Hoe bewijst gij, dat de duivel loert tot verderf van ieder lidmaat in de kerk in het bijzonder?

Antw. 1. Is de mensch nog onbekeerd,

a. hij zoekt hem gerust en zorgeloos te houden in de zonde. Daarom wordt hij genaamd een sterk gewapende, die zoolang hij zijn hof bewaart, alles in vrede houdt, Luc. 11 : 21. Is het dat de mensch onder het gehoor van Gods Woord komt, daar zijn ellende en de noodzakelijkheid van geloof en bekeering krachtig betuigd wordt, zijn hart wordt er niet onder verbrijzeld, maar vastgehouden in den ijdelen waan dat alles wel is, Deut. 29 : 19. En het geschiede, als hij de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: ik zal vrede hebben, ofschoon ik naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot den dorstige,

b. hij houdt hem zoo ijverig bezig in de dingen van den tijd, dat er geen oogenblik voor God en Zijn dienst af kan, 1 Tim. 6 : 9. Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang. Hij stopt hem, om zijne consciëntie te voldoen, allerlei argumenten in de hand, die een schijn van verontschuldiging hebben, Luk. 14 : 18—20. En zij begonnen allen zich eendrachtiglijk te verontschuldigen, de eerste zeide tot hem: Ik heb eenen akker gekocht, en het is noodig dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: ik heb vijf juk ossen gekocht: en ik ga henen om die te beproeven: ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: ik heb eene vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen;

c. hij verstijft zijn hart tegen God en Zijn dienst; de zoete lust en het liefelijk juk van Christus, stelt hij hem voor als een ondragelijk juk, dat te vergeefs en zonder verkwikking gedragen wordt, Maleachi 3 : 14, 15. Gij zegt, het is te vergeefs God te dienen: want wat nuttigheid is het, dat wij Zijne wacht waarnemen ? en dat wij in het zwart gaan voor het aangezicht des Heeren der heirscharen. En nu wij achten den hoogmoedige gelukzalig: ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij den Heere en ontkomen;

d. hij vervult zijn hart met wrevel en vooroordeel tegen leeraren en godzaligen, zoodat men den schouder terugtrekt, de ooren verzwaart en het hart harder maakt dan een diamant, om niet te hooren de woorden der wet, Zach. 7 : 11, 12. De ijver der leeraren houdt hij verdacht; de godsvrucht der vromen krijt hij uit voor geveinsdheid; de bevinding der heiligen voor loutere inbeeldingen en hersenschimmen; de getrouwe prediking van Christus, tot geloof en bekeering, voor oproer en vreemde leer. Dus zegt Tertullus, die advokaat van den duivel, Hand. 24 : 5, 6. Want wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een die oproer verwekt onder alle de Joden, door de gansche wereld: en een oppersten voorstander van de secte der Nazerenen; die ook gepoogd heeft den tempel te ontheiligen; welken wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordeelen;