Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LENTELIED

Ik kan mijn ziel niet meer weerhouen, zij berst het duistre woonhuis uit; de hemel schittert wit en blauw en zoo zonnig door mijn wingerdruit...

De wolken wemelen daarboven aan 't eindelooze hemeldak als blommekens in bonte hoven met frissche kleedjes sterk en strak.

De boomen suizelen reeds teeder in 'tspetterende stralenlicht; zij wuiven zachtkens heen en weder met dauwbepereld aangezicht.

Ik voel mijn jonge leden zwellen onder het zwaar en schoon geluk; en alle banden, die mij knellen, breek ik als ragge rafels stuk!

Hoe zou ik nu nog kunnen slapen? De zon gloeit mij in 't loom gelaat, de kleine meisjes en de knapen zingen en juichen langs de straat.

10

Sluiten