is toegevoegd aan uw favorieten.

Het socialisatievraagstuk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

Ongeveer f 140 millioen werd in den vorm van dividenden en tantièmes uitgekeerd; de rest werd in allerhande afsehrijvingen en reserveeringen ondergebracht. De gemiddelde waarde van een scheepvaart-aandeel steeg tengevolge van den schitterenden gang van zaken van dè reeds genoemde 126 pCt. in 1913 tot 312 pCt. in 1917. In 1918 was de waarde weer tot 308 pCt. verminderd. Bij verschillende maatschappijen werd over het jaar 1916 niet minder dan 100 pCt. dividend uitgekeerd! Deze gouden regen, die op de gelukkige bezitters van scheepvaartaandeelen neerdaalde, dank zij de meedoogenlooze wreedheid der moderne oorlogsmethodenj is in den vollen zin van het woord weerzinwekkend. Maar is één en ander niet éen typisch, alleen ietwat verscherpt beeld van het kapitalisme, dat ellende der groote menigte altijd vergezeld doet gaan van groote voordeelen voor een kleine groep? Men meene echter niet, dat deze winsten geheel verkregen zijn ten koste van de groote massa van de bevolking van ons land. Het buitenland heeft een belangrijk deel ervan medegedragen. Zoo heeft o.a. de beruchte „requisitie" door de geassocieerden van een belangrijk deel der Nederlandsche handelsvloot een niet onaanzienlijk deel van deze winsten opgeleverd. Niet voor niets zijn in het scheepvaartnummer 1919 van „In- en Uitvoer" de lakonieke woorden te lezen: „Nadat echter bleek, dat de Geassocieerden bereid waren een behoorlijke vrachtvergoeding toe te kennen en zij de schepen na den oorlog weer ter beschikking der eigenaren zouden stellen, terwijl de eventueel verloren gegane schepen zouden worden vervangen door nieuwe, verminderde gaandeweg de verontwaardiging." Zoo heeft het buitenland de kas der scheepvaartmaatschappijen gespekt !

Niettemin ware het volkomen onjuist'te meenen, dat dit requisitie- of „huur" bedrag het leeuwendeel der winsten uitmaakt, zooals de scheepvaartmaatschappijen wel zouden willen doen gelooven.

Uit het scheepvaartnummer 1919 van „In- en Uitvoer" blijkt, dat in 'IS 95 millioen gulden aan „huur" werd ontvangen, zoodat, de huur buiten beschouwing gelaten, toch nog in de jaren 1915—1918 door de hier vermelde maatschappijen ongeveer ƒ 400 millioen winst is gemaakt. Veertien en een half millioen- werd door de Nederlandsche Regeering alleen aan liggeld vergoed voor de Nederlandsche schepen, die gedwongen stil lagen in de Amerikaansche havens!

De gemeenschap zag zich genoodzaakt op vrij krachtige wijze in te grijpen: de schepenvorderingswet van 10 Febr. 1917 gaf en geeft nog steeds aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel groote bevoegdheden. Hij kan de geheele of gedeeltelijke laadruimte van een Nederlandsëh zee-