is toegevoegd aan uw favorieten.

Burgerlijke bouwkunde, houtverbindingen en steenverbanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

85

steen wordt toegepast (zie Fig. 8b, laag 1 en 2) *). Voor de breedte van de muurdammen tusschen de openingen geldt hetzelfde als voor het Vlaamsch verband genoemd.

b. Muurlengte klein in verhouding tot de dikte „pijlers":

le. Vierkante, rechthoekige en kruisvormige pijlers.

Onder een pijler verstaat men in het algemeen een massief, op zich zelf staand muurwerk, ter ondersteuning van andere onderdeden opgebouwd.

Het verband van de samenstellende steenen is op twee verschillende manieren te verkrijgen:

I. pijlerverhand.

II. zuivefoerhand.

Voor het pijlerverband wordt in een laag de ligging van de steenen vastgesteld, zooveel mogelijk in een richting en aan het begin en het einde afgesloten door een rij drieklezoren (Fig. 9a, b, c, d en e.). Het verband in de tweede, derde, vierde en volgende lagen is geheel gelijk aan het verband in de eerste laag. De bovenliggende laag wordt t.o.v. de onderliggende laag 90° gedraaid, zoodat de steenen van twee opeenvolgende lagen elkaar rechthoekig kruisen; dit is een voordeel van het pijlerverband boven het zuiver verband, waarbij de steenen in de verschillende lagen in hoofdzaak evenwijdig aan elkaar loopen.

Zooals uit de teekeningen blijkt is het pijlerverband voor vierkante, rechthoekige en kruisvormige pijlers gemakkelijk door te voeren. Een nadeel is echter het groot aantal drieklezoren, hierbij noodzakelijk, hetgeen toeneemt naarmate de afmetingen van den pijler grooter worden.

Voor zuiver verband gelden alle eischen vroeger op Bladz. 71 en 72 opgegeven. Een van de zijden — bijv. a (Fig. 10a.) — van den pijler wordt beschouwd als de voorkant van een muurtje, waarin het verband moet worden aangegeven. In de richting van deze zijde denkt men zich de lengte van het muurtje, loodrecht hierop, de dikte. De eerste laag vertoont aan den voorkant strekken; deze eindigt met evenveel drieklezoren als het muurtje koppen dik is, de tweede laag is een koppen-laag en eindigt met vier drieklezoren, de overige Steenen — in beide lagen — worden zooveel mogelijk loodrecht op de lengte-richting van het muurtje geplaatst.

Dezelfde werkwijze wordt voor de volgende strekken- en

*) De eventueele veranderingen die in de hierboven besproken beëindigingen voor de verschillende verbanden noodig blijken, wanneer kozijnen worden ingemetseld, zullen later bij de deuren en ramen behandeld worden.