Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

de philosophische of metaphysische opvatting van het wezen der materie en eindig met in de derde plaats te onderzoeken of de Heilige Schrift ons aangaande het wezen der materie iets leert, direct of indirect, waardoor wij in den strijd der hedendaagsche theorieën tot een voor ons beslissend, oordeel kunnen komen.

L In de eerste plaats tracht ik dus de vraag te beantwoorden, wat de wetenschap op haar tegenwoordig standpunt leert aangaande de samenstelling of den bouw der materie.

In het algemeen mag men zeggen, dat de meeste gezaghebbende geleerden staan op het atomistisch standpunt; dat zij dus leeren, dat de stof of materie ter laatste instantie bestaat uit ondeelbare, zeer kleine, geheel van elkander gescheiden atoma, deeltjes, die zich krachtens hun eigen aard steeds vrij in de oneindige ruimte trachten te bewegen. Deze opvatting van de samenstelling en den bouw der materie is afkomstig van den Griekschen wijsgeer Democritus en van dezen overgenomen en voortgeplant door Epicurus en Lucretius. In den nieuwen tijd kreeg deze bespiegeling of, wil men, deze theorie, meer het karakter van positieve wetenschap door de hypothesen van Dalton (1808) en van Avogadro (l81l), die geleid hebben „zelfs tot eene schatting over aantal en grootte van deze kleinste deeltjes der lichamen". (Lorentz, Beginselen der Natuurkunde, I4, 163). Men bleef daarbij bij de voorstelling, die reeds de Ouden hadden, „dat bij de veelvuldige veranderingen der stof die kleine deeltjes zelf niet veranderen en alleen hun onderlinge ligging wordt gewijzigd" (L. 1.1.).

De Ouden verklaarden reeds, dat de atomen zóó klein zijn, dat het niet mogelijk is ze te zien; wij kunnen verder gaan en zeggen, dat ze ook met behulp van de

Sluiten