Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bocca-nasaliteit (indirecte, door de mondholte veaoorzaakte neusholtetrillingen) en de lange tube-achtige voormondholte. Van daar het vergelijk der oe-vorm met een liggende flesch met ronden buik in den achtermond en den hals in den voormond.

I is deJdeinste en door zijn nauwte, de meest spitse stemvertegenwoordlger. Zijn trillingsvlak ligt aan de tegenovergestelde zijde van de oe, namelijk, in het hoogere vóór- en lagere achtergedeelte der stembanden, waardoor het voorgedeelte een losser en steiler trillingsvlak vertegenwoordigt. Ook in de mondholte het omgekeerde van de oe, n.1. achterholte klein, voorholte breed.

Met recht mogen deze drie „de steunpilaren" van de spreeken zangstem genoemd worden, alle andere ontstaan door onderstaande wijzigingen.

Komt men nu tot de gemengde klinkers, zoo bemerkt men, dat zij elkander verkleinen of vergrooten, donkerder of lichter maken. De meest bekende klankmenging is die van o (zeker omdat o de verstdragende is) met a, door deze verdonkering krijg* a in den voormond een kleineren vorm, wordt lucht gespaard en de a-klank minder vlak en keelig. In de middenlage vooral mengt de a zich het gunstigst door o-a-vorm. Men moet dit middel ook voor de overige klinkers weten aan te brengen. In de verdonkering bedient zich ö van oo, oo van oe, i van bovenlucht U, ee van eu, è van bovenlucht ü, ie van ee, ü of uu (afhangende van de toonhoogte). Bij zeer donkere expressies kan ook bij eenige open klinkers de oe als vormdemper gebruikt worden. Tevens zijn oe en ie overgangsvormen naar w en j (halve klinkers).

10

Sluiten