is toegevoegd aan uw favorieten.

Liefde en leed

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIER WITTE ROOD-GEKUIFDE KIPPEN.

Voor Moeder.

Vier witte rood-gekuifde kippen, Die stapten statig in de wei; Een greintje of graantje op te tippen. Zij waren er als „kippen" bij.

Hun witte schaduw-vachten — beide — Hun roode kuiven tintten fijn En schilderachtig bij de weide. Er was bijna geen zonneschijn.

Vier witte rood-gekuifde kippen, Die stapten statig in de wei; Een greintje of graantje op te tippen . .. 't Was op een regendag in Mei.

DAAR GRAASDE EENS EEN PAARDJE.

Voor Dr. Staverman.

Daar graasde eens een paardje, Een paardje in de wei Het graasde er zoo heerlijk, Zoo vroolijk en zoo vrij.

Maar voerman kwam het vangen, Het vangen voor 't gerij. Hij lokte het met een béte broods, Het beest kwam naderbij.

Toen legde hij het paardje,

Het paardje uit de wei

Het tuig aan en het volgd' gedwee...

Maar het was niet meer vrij.

Ach paardje uit de weide, Als 't u gaat, gaat het mij: Steeds roept 't armzalig broodje Mij uit mijn bloemenwei!

111