is toegevoegd aan uw favorieten.

Karel en Elegast

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punt van zijn speer het groote ijzer van den ploeg, al peinzend bij zich zeiven: „Dat zal bij ons werk van groote hulp zijn, want die in burchten naar schatten wil graven, moet goed voorzien zijn van dingen die hem van pas komen. Zooiets doet men met zijn bloote handen niet, en daarbij als ik zoo iets niet bij had, zou Elegast kunnen gewaar worden dat ik geen dief ben. En ik wil voor alles niet, dat hij te weten kwam, dat ik geen dief ben, want dan zou hij mij allicht herkennen. En dat mag niet"

Als bij dan het ijzer onder zijn mantel geborgen had, sprong hij weer gauw te paard, gaf het van de sporen, en haalde Elegast in, dien hij ginder zwart als verbrand hout, in den helderen maneschijn zag verder rijden. Toen ook bemerkte hij achter een muur van boomen, donkere torens tegen den bleeke maanlucht opspitsen.

Dat was het groote kasteel van Eggeric van Egghermondel

87