is toegevoegd aan je favorieten.

Natuur en openbaring

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

280

elementen en verbindingen; dit alles wijst heen naar den bewusten Maker, God. Voorts het doelmatige en persoonlijke, overal uitkomend; de grootheid, schoonheid en verhevenheid alom openbaar; het leven, de organismen, de soorten; in de ziel: onze persoonlijkheid die toch ondanks alles telkens weer een wezen achter de verschijnselen poneert; moeten wel naar God wijzen. Ja vooral 't hoogste, dat in ons reageert op het lagere, wordt nu recht verklaard: 's menschen verantwoordelijkheid wijst ons onmiddellijk op de mogelijkheid der verbreking van het causale gebeuren, dus ook op opheffing uit den stroom die ons verslindt; de zedewet; dit alles wijst ons direkt heen naar God. En in de bijzondere openbaring treedt Hij ons weer reëel tegemoet, en leert Hij ons, om in dit alles op te merken de onmiddellijke teekenen van Zijn bestaan en inwerken in deze wereld.

Voor het terrein der wetenschap wordt ons hier voorts met nadruk geleerd, dat tegenover de zuiver causale wereldbeschouwing alleen de teleologische recht van bestaan heeft. Zeker, in het zuiver mechanisch gebeuren geldt de causale methode, met hare afleiding van logische wetten; doch aldra moet men hooger doelen, zal men van de verschijnselen een volledige verklaring kunnen geven. Het Aristotelisch begrip der entelechie, later veelvoudig gevariëerd, is nog heden dienstig ter juiste waardeering van het bestaande. En er moet dan overal bijna een hooger princiep ter verklaring worden aangenomen; dit hooger princiep niet alleen regulatief maar ook constutatief; zal de wetenschap der werkelijkheid volledig zijn. Vooral geldt dit voor het hoogere zieleleven des menschen. Geen wonder dan ook, dat zoowel alle intuitief dieper voelende wijsgeeren en dichters als empirische onderzoekers terugkomen van de meer vlakke wegen; dat, waar de eersten reeds lang de ziel weer trachtten tot haar recht te doen komen naar al hare zijden, ook de laatsten heden moeten erkennen, dat „de eenheid en ondeelbaarheid der menschelijke ziel zoowel door psychologische, ethisch-religieuze als ook door natuurwetenschappelijke ervaring ons als axioma wordt opgedrongen" (zie boven). Hier komt naar voren het begrip van geloovige wetenschap 1),

1) Men leze hier b.v. Dr. H. Bavinck: Christelijke Wetenschap. Voor de natuurphilosophie gaf Dr. H. W. Smit, De natuurphilosophie en het theïsme, 1917, voortreffelijke lijnen aan, die ons kunnen orienteeren op allerlei gebied. Met name geldt dit, waar hij de theïstische opvatting beschrijft (Hoofdstuk III en IV). De schrijver geeft aan, hoe er een lijn, uitgaande van Plato en Aristoteles, gaat door heel de nieuwere philosophie. Wij merken haar b.v. op bij Leibniz en Lotze; bier wordt de wijsbegeerte theïstisch geaccentueerd, en er is een tegenwicht tegen Büchner en Darwin. — Het is echter de vraag, of Dr. S. nog niet soms te veel de lijn van Lotze volgend, aan het pantheïsme meer heeft toegegeven dan op zuiver theïstisch standpunt is geoorloofd. Het wjjsgeerig theïsme toch heeft geen levenskracht in zich zelf, en gaat over in het