Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk XIV. Vers 8.

495

van God is een merkwaardig type van het Nieuwtestamentisch Babel en het Nieuwtestamentisch volk van God.

De gevallen vrouw. In het Oudtestamentisch Babef zagen we een valsch godsdienstig stelsel, dat het schrilste contrast vormde met den waren, op geloof gebaseerden godsdienst, een stelsel, dat er wel aanspraak op maakte een „poort Gods" te zijn, maar in werkelijkheid met zijn menigte sterrekundigen, sterrewichelaars, toovenaars en Chaldeën slechts verwarring stichtte. Is het oorspronkelijke Babel de belichaming van een valsche kerk, dan moet zulks ook het geval zijn met het Babel van Openb. 14 : 8 en als zoodanig wordt het ons dan ook in Openb. 17 voorgesteld. In laatstgenoemd hoofdstuk wordt ons geschilderd een zedelooze vrouw, prachtig gekleed, sierlijk opgesmukt en dronken van het bloed der heiligen, die op haar voorhoofd een naam heeft geschreven, „verborgenheid; het groote Babyion". Deze vrouw staat in de scherpste tegenstelling met de reine, en met de zon bekleede vrouw van Openb. 12, ja, de roode draak met zeven hoofden en tien hoornen, die de vijand is der reine vrouw, draagt de gevallen vrouw. Is nu de vrouw van Openb. 12 een zinnebeeld van de kerk van God, dan moet de vrouw van Openb. 17 een gevallen kerk voorstellen. Dit komt ook overeen met de profetische voorstellingen van het Oude-Testament, waar Israël, zoodra het van zijn God afvalt, telkens wordt vergeleken bij een vrouw, die zich aan echtbreuk heeft schuldig gemaakt. Zie b.v. Ezech. 16. Dat er nu onder het Nieuwtestamentisch Israël een groote afval zou plaats vinden, wordt op meer dan een plaats in de Heilige Schrift met nadruk geleerd. De afval in de gemeente, die Paulus „de verborgenheid der ongerechtigheid" noemt, wordt in de Openbaring als „Verborgenheid: het groote Babyion" betiteld. Deze afval of zedelijke val der kerk, is niet, gelijk de val van Satan, een plotselinge omlaagstorting, maar een gaandeweg dieper zinken. En eerst wanneer de kerk zoo diep mogelijk is gevallen, vindt ook haar eindelijke val of ondergang plaats. Hier in Openb. 14 handelt het slechts over haar zedelijken val; in

Sluiten