Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JANHEN.

458

JAVA.

Janhen' (keukenpiet, jangat), m. —hennen.

Janilsa'ren (bevoorrechte klasse van Turksche soldaten, ingesteld in 1329, de kern v.h. Turksche voetvolk), m. mv.: den 17 Juni 1826 werd het korps der — door sultan

opgeneven en vernietigd.

Jan Kalebas', m.: de naam van een pocher, opsnijder, blagueur enz.; ook: een rekening v. —, lange, uitgedijde; een. redeneering van —, onlogische, onzinnige; zie Kalebas.

Jan'ken (jammerend huilen, inz. v. dieren), jankte, heeft gejankt: de honden begonnen te —; bij uitbr. wal — die kinderen.'

Jan hlaas'sen (grappenmaker, hansworst), m-! —- «i eig. de held uit de poppenkast.

Janklaas'scnkast (poppenkast met Jan Klaassen als hoofdfiguur), v. —kasten.

Jan-maak-al' (iem., die vaardig is im het maken van allerlei dingen), m. —allen; verg.: M a n n s j e-v a n-a 11 c s, Omnis homo en Factotum.

Jan'maal (algemeene naam v. d. matroos) m. —s.

Jan'neman (eig. Jantje, schertsend voor Jan), m. —mans.

Jan'oom (lombardhouder), m.: iets naar — brengen; mijn horloge is bij —; ookOom(c) Jan.

Janplezier' (tentwagen voor een groot gezelschap), m.—en; ook, Char-a-banes.

Jan Pota'ge (Fr. Jan Soep, de Fransche hansworst), m.

Jan Pret (ten vroolijk, eenigszins uitgelaten mensch), m. en v. gmv.: Christine was in haar hart een— (O. O.).

Janrap' (straatvlegel; ook, oppervlakkige vrijzinnige), m. —s; ook: Jan Rap en zijn maat, de straatvlegels; Jan Rap, een bekend gedicht van De Génestet, waarin hij de zoogenaamde verlichte vrijzinnigen bespot.

Jansa'lie (een droge, vervelende vent, een slaapmuts v, e. vent; iem. zonder energie), l m. —salies: — ie het type v. e, flauwerik.

Jansa'üeachtig (zonder energie, vadsig, lamzalig, lamlendig, sufferig), bn. en bw.

Jansenist' (volgeling v. d. leer van bisschop

Jansenius, t 1638), m. en v. en; zie

Cleresie.

Janslot (nieuwe scheut aan planten, zich na St.-Jan of na 24 Juni ontwikkelend), o. —loten; ook: —schot.

Jan Steen', m., populaire schilder der

i Hollandsche school, 1626*?-'19; zegsw. een huishouden van —, een ordeloos, treurig verward huishouden,-zooals de overlevering toedicht aan Jan Steen.

Jan-sul (onnoozele bloed), m.: een echte —.

Jan'tje (1 kleine Jan; 2 marinier, matroos), o. —s:,l uat niet leert, zal Jan

niet kennen; hij is e. —sekuur, een uiterst nauwgezet man; 2 de Hollandsche —s.

Jan'tje-kaas' (scheldnaam voor onze soldaten in 1830 enz. bij de Belgen), o.

Jan'lie-van-JLei'den (mooi praatje, smoes-

'**>#b. gmv.: zegsw. zich met een — van iets afmaken, evenals Jan van Leiden als profeet of als hoofd der Wederdoopers deed in Munster, 1533—'35.

Janna'ri (le maand, Louwmaand), m.: zie Janus.

Janna'rins, m., de beschermheilige van

Napels en van de belde Siciliën, meestal: Sint——.

Ja'nns, m., myth. bij de Romeinen de god van 't menschelijk lot en van de zaken van oorlog; hij opende den dag, de jaargetijden en het jaar: Nieuwjaarsdag was hem gewijd; de eerste maand draagt nog ztjn naam; Janus werd voorgesteld met een aangezicht vóór en achter, d. i. hij zag in 't verleden en in de toekomst; fig. een onoprecht man; —kop (hoofd met dubbele tronie), m. —koppen; —tempel (in 'toude Rome), m. <—s: de ■— was geopend in dagen van oorlog; tijdens keizer Augustus was de

— gesloten; —tronie (—gelaat), v. gmv. Jan-van-Gent' (rotspelikaan), m.—s:de

— komt bij stormweer op onze kusten. Japannces' (inboorling van Japan), m.

—neezen.

Japanneesch', Japanseh', bn.: de —e

kleederdracht; als zn. (de taal), o. gmv.

Ja'pen (een jaap, vooral in het gezicht geven, diep snijden), jaapte, heeft gejaapt.

Ja pik, Sint —, volksnaam v. St -Jaco-

: buk; zie aldaar.

Japon' (lang vrouwenkleed), v. japonnen; zie: Huis-, N a o h t j a p o n of Pon.

Japon'stot (handel, allerlei weefsels van wol, zijde, katoen voor japonnen), v. —stoffen: deze stoffen behooren tot de manufacturen.

Jaquel'te, v. —n; ook, J a q u o t', zie

J a c q u e t. Jardiniè're (Fr. fraaie bloemenbak), v. — Jargon' (Fr. Joodsch-Duitsch, jiddisch,

koeterwaalsch), o. gmv. Ja'rig (een jaar oud zijnde), bn.: —e rogge,

twee—e lammeren; verg. Overjarig. Ja'rig (z'n verjaardag vierend), bn.: e. —

n.t-,iu, itij iiwrgen .

Ja'rlgc (iem., die verjaart), ra. en v. —n.

I. Jas (bovenkleedingstuk voor mannen; dames-morgenjapon), v. jassen.

II. Jas (uit Jasper, eigennaam; kaartspel:

iroelboer). m. omnv

Jas'kaartcn (een spel van 32 kaarten voor

het smousjassen), v. mv. Jasmijn' (plantk. in O.-I. thuishoorende

heester met sterk riekende witte bloemen,

siergewas onzer parken), v. —en; —geur,

m. —en.

Ja'son, m., myth. aanvoerder der Argonauten.

Jas'pis 1 (half edelgesteente), m. —sen; 2 stofnaam (een ondoorzichtig soort van kwarts, gevleid of gestreept, meest bruin), o. gmv.

I. Jas'sen (Aef jasspel spelen), jaste, heeft gejast; zie Smousjassen I.

II. Jas'sen (aardappelen schillen), jaste, heeft gejast.

Jas'spel (kaartspel met den jas oj boer als hoojdtroej), o.; zie Jassen I.

Ja'tagan (kromme Turksche dolksabel), m. —s: ook, Y a t a g a n.

Ja'tihout, o.; zie Djatiboom.

Jat (Barg. en mil. vinger), v. —ten.

Jat'ten (Bargoensch. gappen, ganneven, dieven, wegnemen); verder: een jatter, een dief,een jattertje,een diefje, een langvinger.

Ja'va (aardr. Aef belangrijkste der groote Soenda-eilanden), o.; — Is viermaal zoo groot als ons land, met millloenen bewo -

Sluiten