Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Berechting van minderjarigen inliet algemeen als van anderen.

In hoofdzaak de vorige bepalingen behouden,

verzameld in één Titel.

TITEL II. Berechting van minderjarigen.

Artikel 464.

De bepalingen van dit wetboek zijn ook in zaken betreffende minderjarigen van toepassing, voor zoover bij dezen Titel niet anders is bepaald.

Bij den aanhef van dezen Titel teekent de Memorie van Toelichting (bladz. 222/223) het navolgende aan:

„De „Kinderwet" van 12 Februari 1901 (Staatsblad no. 63) heeft voor de berechting van minderjarige beklaagden beneden 18, soms beneden 16 jaren, hier en daar van de gewone rechtspleging afwijkende voorschriften gegeven en daartoe aan onderscheidene artikelen van het vorige Wetboek van Strafvordering eene bepaling toegevoegd, eene enkele maal een nieuw artikel in dat Wetboek ingelascht.1) Zoo was deze stof over het geheele Wetboek verstrooid, elke afwijking opgenomen bij den regel of de regelen, waartoe zij behoorde.

Wat het wezen der dingen aangaat, zijn de vroegere, met het geheele stelsel der „Kinderwetten" samenhangende, afwijkingen in hoofdzaak op den voet gevolgd, altoos met aanpassing, waar noodig, aan de gewijzigde instellingen van dit Wetboek of ook met opneming van veranderingen, waarvan de ervaring de wenschelijkheid aantoonde.

Maar voor den vorm is eene andere methode gevolgd. Wel zijn ook thans hier alleen de afwijkingen als zoodanig aangegeven en blijven dus, buiten den kring dezer uitzonderingsvoorschriften, de algemeen geldende regelen ook ten aanzien van minderjarigen van toepassing.

Maar al deze afwijkingen zijn nu bijeengevoegd en in één gemeenschappelijken Titel samengebracht. Zoo is een overzicht over het geheele stelsel der uitzonderingsbepalingen gemakkelijker te erlangen en komt ook allicht de beteekenis der onderscheidene afwijkingen beter uit. Dat de raadpleging van dezen Titel dwingt om telkens de wetsbepalingen op te slaan, waarop een afwijkend voor-

*) Onder de Kinderwetten verstaat men gewoonlijk de drie wetten, respectievelijk van 6 Februari 1901,12 Februari 1901 en 12 Februari 1901, die in de St.bl. nos. 62, 63 en 64 van genoemd jaar zijn verschenen. Van die wetten is de gemeenschappelijke hoofdstrekking: het scheppen van een doelmatiger recht, zoowel op het punt van verzorging van kinderen, die onder de hoede hunner natuurlijke verzorgers worden verwaarloosd, als wat betreft de berechting van kinderen, die zich aan. strafbare feiten hebben schuldig gemaakt.

Sluiten