is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschied- en waterstaatkundige beschrijving van de waterschappen en polders in het eiland Tholen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HAAR WORDING, DIJK- EN POLDERWEZEN

111

gaan dat inzonderheid Priestermeet betrekkelijk vroeg moet zijn ingepolderd. Doorgaande toch ligt de bodem ervan laag en een groot gedeelte is, evenals het noordelijke gebied der watering, slechts voor beweiding geschikt. Tijden achtereen is in vroeger dagen de bodem ongetwijfeld met water bedekt geweest, als gevolg waarvan de polder dan ook onder den naam van St. Pietersweel of van Papenmeer is bekend geweest, (a)

Dan, meenen wij uit de hiervoren vermelde becijfering voor het ontstaan der onderscheidene deelen van het waterschap te mogen besluiten, dat de Weihoek hoogstwaarschijnlijk reeds in de Xle eeuw aan de dijkage moet zijn toegevoegd, dan zou de tijd van de inpoldering van Priestermeet bij benadering te stellen zijn op het eind der Xlle of in het begin der Xllle eeuw.

Heer Alstekijn, priester, had in 1317 nog tiendrechten in Priestermeet, en de door deze bedijking drooggevallen waterkeering van Poortvliet werd destijds reeds als binnendijk in twee perceelen vanwege de Grafelijkheid aan Domacs Coppiere eh Gilles Vole verpacht, (b)

Afgaande op de benaming van den polder doet vermoeden, dat de bedijking door een geestelijke of een priester heeft plaats gehad. Opmerkelijk, in verband daarmede toch is, dat Heer Alstekijn, in afwijking van de gewoonte, ook met. de toevoeging van zijn kwaliteit als priester wordt genoemd, bij de vermelding zijner tienden in de dijkage.

De dijk, waarmede Priestermeet is. aangewonnen, sloot op beide einden aan de waterkeering van Poortvliet aan; hij lag aan den aanloop der Haast-Ee, van het Maarloo en van den Vosvliet, bloot, en was bij den aanleg ongeveer 3325 Meter lang. Hij werd in 1629 belangrijk verzwaard en verhoogd en tevens bekramd, niettegenstaande destijds daarvoor reeds meer of min belangrijke aanwassen waren ontstaan. Ja, die aanwassen waren sinds lang aanwezig; want men vindt die reeds in 1339 vanwege de Grafelijkheid

Ca) F. va» Mieris. Groot Charterboek van Holland en Zeeland. Deel II, folio 344. Cb) Br. H. O. Hamaker. Rekeningen der Grafelijkheid onder het Henegouwsche Huis. Deel 1, bladz. 60.