Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onbedachtzaamheid.

486

onbelust.

onbedachtzaamheid, v. = Unbebadjtfamfeit, Un. befonnenbett.

onbedeeld = nidjt unterftfigt. onbedeesd = breift, 3uoerficbtrldj. onbedeesdheid, v. = 3uoetfidjtiidjfeit, Dreiftigieit.

onbedekt = unbebedt, unoerfjüllt; (onbewimpeld) unumrounben.

onbedenkelijk = unbebenittdj; niet o. = (nidjt unjbebentlidj, nidjt einrcnnbfrei; nidjt ttngefaljrlidj.

onbederfelijk = unoerberblid).

onbediend (sterven) = obne bte lekte Ölttng,

obne bte Sterbeiaftatnente (fterben). onlfbedijkt;-bedorven = tinllbebeidjt; .oerbotben. onbedorvenheid, v. = Unoetbotbenbeit. onbedreven=uitetfa[jren, ungeübt. unberoanbert. onbedrevenheid, v. = Unetfabrenbeit tc, vgl.

onbedreven, onbedrieglijk = unttügiidj, unfebtbar, unoer.

fennbar.

onbedrieglijkheid, v. = Xlntriigiidjfeit ic., vgl.

onbedrieglijk, onbeducht = furdjtlos, obne gurcht; o. voor

(iets) = obne fjurdji nor (Dat.); (etro.) nidjt

fürdjtenb.

onbeduidend = (alg.) unbebeutenb; (.gering) ge. ring; (wat niet veel oog heeft) unfdjetttbar; o .. e som = unbebeuteube, unerbebliidje, (sterker) geringfügige Summe.

onbeduidendheid, v.=Unbebeuten(b)beit tc, vgl. onbeduidend.

onbedwingbaar = unbejroingbar, .lidj; uitauf. baltfant.

onbedwingbaarheid, v. = Unbesroingbatieit. •lidjieit.

onbedwongen = uttbesroungen, unbesatjmt, un< behinbert, tmgetjinbert.

onllbeëedigd; -begaafd; -begaanbaar = unNoer-

eibigt («oereibet, ntdjt oeteibct); .begabt; «gang.

bar (.roegfant). onbegeerd = nid)t begeljrt, unbegefjrt. onbegeerig = nidjt begierig, unbègebrlidj. onbegeerlijk = ntdjt roiinfdjénsroert, unerroünfdjt. onbegeven = unerlebigt. onbegonnen = (eig.) ttnangefangen; o. werk

(fig.) = [joffnungslofe, unausfüljrbnre Sirbeit,

cin eitel SBeginnen, netlorne £iebesmülj(e). onllbegraven; -begrensbaar; -begrensd = un-

begraben (.beerbigt); .begrenjbar; .begrenjt

("befdjranft, zie oot onbepaal d). onbegrensdheid, v. = tSrenjenlofigtett. onbegrepen = unoerftanben, unbegriffen. onbegrijpelijk = (passief) unbegreifltdj, utroet.

ftanblid), unfafjlidj; (aktiei) fdjtoet oon SBegtif.

fen; hij is erg o. = (ook) er begreift feljt fdjledjt. onbegrijpelijkheid, v. = Unbegreiflidjfett, Un.

oerftanblidjfett, Unfafilidjteit; ber fffiangel an

S3erftanbnis.

onbegrootbaar = unfdjühbar, nidjt abjttfdjaken.

onbehaaglijk = unangeneljm, roiberroar'tig; (ongezellig, onlekker) unbebaglid); een niet o. voorkomen = ein nidjt unang .. es, nidjt unebenes Stufjere(s); o .. e toestand = peinlidje Sage; o. gevoel = Suïifjgefübl,5D)ifj-,Unbebagen.

onbehaaglijkheid, v. = Unannefjintidjfett. aBiberroartigfeit; Ugbebaglidjfeit, bas Unbebagen; gevoel van o. — ÏKibgefiiljI, SDiifj-, Unbebagen] (Sefüfji besUnbebagens, vgl. onbehaaglijk.

onltbehaard; -behangen = unllbeljaart; -tapesiert.

onbeheerd = herrenlos.

onllbehendig; -beholpen = unllgefdjidt; -bebolfen (-gefdjidt, -gelenf, tappifdj). 1

onbeholpenheid, v. - Unbebolfenbcit tc, *

onbeholpen. ... onbehoorlijk = ungefjörig, -gcbübrlidj, ,exW '

(ongepast) ungejicmenb, unfdjidlidj. j onbehoorlijkheid, v. = Ungetjbrigfeit ie.,

onbehoorlijk; o.. heden uithalen

Unfug treiben.

onbehouwen = (eig.) unbebaucn; (fig.) p'1"11?; ungefdjladjt, fdjroetfalttg, ungefdjliffen, rob,J , gelent, ungefüge, ungebarblg; (vlegelaWJ flegelljaft, rüpeiljaft; o. antwoord, gedrag 7 flegelhafte Slntroort, fl.. es (rüpelbaftes) nebmen. ,

onbehouwenheid, v. = jptumpfjett tc onbehouwen.

onbehulpzaam = nidjt befjifflidj, ungefallifl-,

on!lbekeerd;-bekeerlijk = unllbefebrt; -beIerjr*Sj

onbekend = unbefannt; met iets o. = etro. u.; o .. e grootheid = unbclanute dat is hier o. = bas ift hier u., bas tennt rn°e bier nidjt; o..e = Uttbefaunte(r); de o-(in de wisk.) = bie Unbefanntc; hoewel " laat hij u groeten = er lafst Sie unbefatt""., roeife gtüfjen; o. maakt onbemind = ün lannt, tmoerlangt. u,

onbekendheid, v. = ('t niet-bekend-zijn) »n~,e fanntbeit; Ct-niet-kennen) Untenntnis; t°JS o. met de toestanden = o&IIige Unfenno ber 3uftanbe, ber Serfjalhtiffe.

onbekiaagd = uttbeflagt, unberoeint.

onbeklant = obne ftunbfdjaft. „jj,

onbekleed = unbelleibet; (niet geizoleerd) 1,0 6

onbeklemd^ungejroungen, ftei; uit (met)0-' borst = aus oolieut Salfe, aus ooiier tBru.'ji*

onbeklimbaar; -bekommerd = unlierftctó'^ (-befteigbar); -befiimntert (-beforgt; met I" vertrouwen: suoerfidjtlldj). Uf)

onbekookt = unbefonneu, umiberlegt; («W* oerrüdt, Ijirnoerbrannt. , at>

onllbekoorifjk; -bekrabbeld = unlianmutig. ('j,; fallig, rebjlos); -faljtg (-gefdjidt; onberwdd" unbemittelt). .Aljoj

onbekrompen = fteigebig; nidjt fatg; retaLit (geben tc); oollauf (ju effen); met o. band "*i fr .. er, nidjt t. . er, mitoet[djroeitbert[djer»u

onbekrompenheid, v. = greigebigfeit. ,,„;

onbekwaam = unföljig, ungefdji'dt; betrun' voor alles o. = 3u nidjts anfteiltg. ,/M>

onbekwaamheid, v. = Unföljigteit, Ung«l°' Hdjfeit tc, vgl. onbekwaam.

onbeladen = unbelaben. Mrrt>

onbelangrijk = unbebeutenb, unroidjtig, untnei lid); (zeer gering) getingfügig.

onbelangrijkheid, v. = Unbebeuten(b)t)en.. iQ;

onilbelangzuchtig; -belast = unl|eigenuu?[Ci, -befdjroert (vrij van belasting: -befteuett, techn.: -Bclaftèt, leer).

onbelastbaar = fteuetfrei.

onbeleefd = unbüflidj, (sterker) grob.

onbeleefdheid, v. = Unböfltcbleit, (sterke') ™0b>

heit; iem. o.. heden zeggen = einent w

beiten fagen.

onbeiegd = unbeiegt.

onbelegen = nidjt abgelagett, frifdj. . tfi'

onbelemmerd = uugeljinbctt, unbebin*en' geftört. t ^Icfef'

ohltbelezen;-belommerd;-beloond = lin" fiute*' -befdjattct; -belohnt (-oergolten, '"m -entgeltlidj). ,8tte

onbelust = ungeneigt (311); hij is niet o. " af. doen = er ift nidjt abgeneigt bas 3u rrijtg £W „voelt er veel voor...") er hat nidjt tin bas 3u tun; verier = afkeerig.

Sluiten