is toegevoegd aan uw favorieten.

Koning Adam

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVII

-tiet geboomte ritselde, daar brak de duistere Kaïn door.

Adam meed zijnen zoon; hun stemmingen divergeerden; hij stelde vragen waarop geen antwoord was.

Kaïn voorkwam zijn vlucht; hij zette zich bij den vader; hij vroeg:

„Vader, waarom heb ik Abel verslagen?"

Adam zag grimmig voor zich uit. Soms was hij Abel vergeten, soms drong de naam in hem op, met alle afschuwelijkheid, met alle raadselen daarmee verbonden. Angst greep hem wanneer hij daaraan dacht.

Adam meende te weten wat het leven was, met den dood had hij zich niet kunnen verzoenen. De dood was iets walgelijks en een raadsel. Want de doode Abel was vergaan; men vond bloemen op zijn aardplek, zooals er wehger groen uitschoot op de plaats waar een rund zijn mest had geworpen.

Maar dit kon toch Abel niet zijn geweest, die Zong en verbeeldde! Hingen zijn lied en vertelsels niet nog onder de kinderen, zij zongen zijne wijzen, zij dansten op zijn maat, zij herdichtten zijn dichtselen als leefde hij nog onder hen, onzichtbaar aanwezig.

Wat deed de jongen te vragen!

„Vader, vader, waarom heb ik Abel verslagen?"

Adam zag zijnen zoon in het gelaat. Zijn wezen was oud geworden, hangende zijn oogen, neergetrokken zijn mond. In zijn haren glinsterde het grijs, zijn Aardige baard slierde verwilderd over zijn verbukte borst.