is toegevoegd aan uw favorieten.

Notulen der Staatscommissie voor het Onderwijs, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 31 December 1913, No. 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

worden op de wijze, die bij bunnen aard past. Nagenoeg alle sprekers hebben zich toen op dat standpunt geplaatst, behalve de Heer Tydeman, die zeide: ,,er moet altijd zijn eene openbare school". Spreker vindt, dat dit kan ontaarden in een woordenspel; ook zijns inziens moet er altijd zijn eene openbare school, behalve als zij niet begeerd wordt. Zoo is ook de uitdrukking, welke school regel of uitzondering zal zijn, een woordenspel; men ging bij de discussie er van uit,dat beide scholen gelijkgerech'tigd zouden zijn. Als dat standpunt niet aangenomen wordt, dan wil spreker in deze Commissie zelfs niet meewerken voor verhooging van subsidie uit de Staatskas, daar het doel dat deze Commissie beoogt daardoor tocb niet zou bereikt worden.

De Voorzitter heeft den indruk, dat, hoe meer men zich bezig houdt met concrete quaesties, hoe meer het zal blijken, dat men het met elkander eens kan worden. Daarom ziet hi] niet veel heil in het voortzetten van eene discussie over algemeene begrippen, en het is beter de onderdeelen onder de oogen te zien. j*t tJ

De Heer Tydeman is het met den Voorzitter eens, dat de weg die voert langs de concrete punten, voorloopig de eenige weg is, want over de beginselen zal men het toch niet eens kunnen worden.

De Heer Nolens zegt, dat hij voor zich hetzelfde voorbehoud vraagt als de Heer Tydeman van diens standpunt. Dat voorbehoud bestaat voor alle leden dezer Commissie. Als de Heer Tydeman wil weten, of de overige leden hier zijn met de bedoeling om tot pacificatie te komen dan kan spreker datzelfde vragen aan den Heer Tydeman. Ieder lid dezer Commissie weet heel goed, dat, als de beginselen overhoop worden gehaald, er belangrijke verschillen te constateeren zijn, maar de vraag is juist, of men bereid is m de praetijk tot elkander te komen.

Na deze voorafgaande algemeene beschouwing wijst de Heer De Beaufort er op, dat bij deze vraag het algemeen beginsel is te beslissen, of de kosten van het bijzonder onderwijs ffeheel zullen worden gedragen door den Staat. Dit nu kan niet anders dan ontkennend worden beantwoord. Eene geheel gelijke stelling met het openbaar kan men aan het bijzonder onderwijs niet toekennen, wijl dan ieder, die een voldoend aantal leerlingen bijeen kan brengen om eene school op te richten, eenvoudig bij den Staat zou kunnen