is toegevoegd aan uw favorieten.

Notulen der Staatscommissie voor het Onderwijs, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 31 December 1913, No. 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

inderdaad een ander licht op de zaak. Ook spreker acht het goed, dat bij de bepaling van het loon tusschen mannen en vrouwen, tusschen gehuwden en ongehuwden onderscheid gemaakt wordt. Wat de ordebroeders en -zusters betreft zou hij dan ook de periodieke verhoogingen voor hen wel willen doen vervallen. Anders staat het echter met de standplaatstoelagen, wijl deze menschen niet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het klooster, maar ook elders, bijvoorbeeld in Amsterdam hunne betrekking vervullen.

De Heer Nolens wil er vooreerst op wijzen, dat men aan een vergelijking met België toch niet te veel waarde moet hechten. Het \s een in meerderheid Katholiek! land, zegt men, maar die meerderheid is niet zoo bijzonder groot en dientengevolge heeft zij uit opportuniteit wel eens concessies moeten doen. Voorts meent spreker, dat men zich omtrent het overschot van de salarissen der kloosterlingen, nadat hun onderhoud daaruit bekostigd is, verkeerde voorstellingen maakt. Het gemeenschappelijk leven dezer menschen brengt weêr andere behoeften mede dan voor alleen won enden bestaan. In ieder geval blij ft het eene quaestie omtrent de besteding van eenmaal verdiend loon. De Heer Tydeman heeft er bezwaar tegen, dat zij hun tractement in ontvangst nemen, daarvoor de quitantie afgeven en het geld vervolgens geheel aan de congregatie afdragen. Maar waaróm mogen zij aan het door hen verdiende loon niet deze bestemming geven? Ook ongetrouwde, leeken kunnen een gezamenlijk home oprichten en hun verdiensten strten in de gemeenschapskas, zonder dat iemand daaraan aanstoot zal nemen. Dat er onderscheid worde gemaakt wat de periodieke verhoogingen betreft, zou ook spreker kunnen billijken, maar dat de wijze van besteding invloed zou uitoefenen op de hoegrootheid van het loon, ware principieel verkeerd.

De Heer Tydeman dringt er op aan, dat de Commissie den feitelijken toestand van het hier ter sprake zijnd punt aan een onderzoek zal onderwerpen. Ook de Heer De Savoenin Lohman zal toegeven, dat de school niet mag zijn een winstgevend bedrijf en nu houdt spreker zich overtuigd, dat, wanneer men de rekening en verantwoording van kloosterscholen, als door hem bedoeld, controleerde, men zou ontdekken, dat er inderdaad zeer groote overschotten zijn, zelfs al brengt men een behoorlijk bedrag voor het onderhoud der kloosterlingen in rekening. Jaren geleden, toen spreker arrondissementsschoolopziener was, bezocht hij geregeld sommige