is toegevoegd aan uw favorieten.

Het landsheerlijk bestuur in het sticht Utrecht aan deze zijde van den IJsel gedurende de regeering van bisschop David van Bourgondië, 1456-1496

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

David kan men dezen misstand niet te zeer verwijten, daar bij de meeste ambten aangeteekend is, dat ze reeds in de dagen van bisschop Rudolf, een enkele maal van bisschop Frederik, met de pandsom bezwaard waren. Had het krachtig bewind van Frederik van Blankenheim het minder noodig naar dit dubieuse middel te grijpen?

Hoe een ambt onder bisschop David bijna als privé bezit van de eene hand in de andere overging, moge de geschiedenis van een der maarschalkambten aantoonen.

Het maarschalkambt van het Nedersticht werd 1458 Aug. 1 gegeven aan Alpher van der Horst, die het reeds te voren bekleedde 1), voor een schuld van 300 Rijnsche gulden, hem „oft synen erffgenamen gebrake syns" te voldoen op 1459 Juli 30 2). Echter 1459 Mei 16 werd Alpher voor 6 jaar in zijn ambt bevestigd, dat hij voor een salaris van 200 Rudolfsgulden op zijn eigen risico („op syns selffs cost") waarnemen moest. Terzelfder tijd kreeg hij reces van zijn uitgaven en inkomsten over den tijd van 1455 Sint Lambert (Sept. 17) tot 1459 Sancti Petri ad Cathedram (Febr. 22), waarbij de bisschop hem 300 Rijnsche gulden schuldig bleef en opnieuw 900 Rijnsche gulden van Alpher leende. De bisschop verplichtte zich hem of zijn erfgenamen niet uit het ambt te ontzetten, voordat deze sommen betaald waren, en bovendien Alpher persoonlijk binnen 6 jaar niet af te zetten. Zoo daarna een van bedde partijen de ambtelijke verhouding wilde doen ophouden, zou die twee maanden van te voren moeten opgezegd worden, waarop de bisschop zijn schulden zou voldoen. Bleef de bisschop in

minderjarigheid van hertog Jan I van Brabant wendde zich de hertoginregentes Aleida tot Thomas van Aquino met de vraag, of men de ambten, als dat van baljuw of dat van burgemeester, aan den meestbiedende mocht verkoopen. Thomas antwoordde ontkennend, daar men anders de openbare ambten aan hebzuchtige lieden zou overleveren. Vgl. A. Wauters, Le duc Jean Ii„ et le Brabant sous le règne de ce prince (1862) 19.

1) Off. fol. lv, — Sept. 6. Het jaarcijfer ontbreekt, moet vermoedelijk 1456 zijn, doch blijkens het reces op fol. 44v was Alpher al maarschalk in 1455.

2) Off. fol. 20v, Duurstede, 1458 Aug. 1.