is toegevoegd aan uw favorieten.

Onder den ouden Jan

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

— Ben je gek, Guurt; het is een uurtje... viel Joost uit.

— Ken jij het dorp?

— Ben 'r wel 's geweest van Apeldoorn uit.

— We konden er wel eens heen wandelen, meende Tervoren.

Het plan werd besproken; ze hadden nog een heelen -avond vóór zich, de vermoeienis van den dag was vergeten en de schitterende zomeravond lokte, om in vrijheid te gaan over de mooie heide.

— In vrijheid! Dat is het, zei Joost, terwijl hij de armen wijd uitstrekte, als wilde hij de ruimte omhelzen. In vrijheid!... Hij haalde diep adem, zich vrij voelend van de drukkende Delftsche muren. En het scheen hem, of zoo'n marsch over de hoogten, terwijl je aldoor maar in het ruime verschiet de aarde zag wegwijken, zou zijn als een vogelvlucïït: in vrijheid!

— Allo, lui! We gaan! animeerde Joost.

En met z'n kampstok gaf hij Guurt een prik in de lenden, om hem zijn traagheid te doen overwinnen; en hij stak de armen onder die van de lange Joh en Ter voren, en riep nog andere jaargenoten aan. Hij wist met zijn geestdrift ook de tragen voor de wandeling te winnen, en een veertiental volontairs ondernamen den tocht.

Ze volgden den zandweg, die van den Knobbel langs den Papboer in de richting van Epe ging. Vanaf het Kamp zie je den weg over de heuvelkammen telkens opgolven, tot hij in het bosch verdwijnt. Het was een heldere Juni-avond; over de nog-warme heide koepelde de teêrblauwe hemel, aan den einder in het avond-geel verkleurend; de lucht was ijl; en luchtig was het gaan over den veerkrachtigen bodem.