is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdrage tot de geschiedenis van het toezicht op het stoomwezen in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

constructie tot de minst onveilige waterpijpketels te brengen.

Met meer reden zijn onontplofbaar te noemen de ketels volgens Serpollet en dergelijke, welke nagenoeg geen waterinhoud bezitten, en welke men in 1891 reeds op dien grond vrij van toezicht trachtte te bekomen. De toenmalige Stoomwet liet zulks echter niet toe, en evenmin die van 1896: wel konden belangrijke faciliteiten werden verleend ten aanzien van het toebehooren en werd ook afstand gedaan van de beproeving met waterdruk.

Train loco moti ven. Het artikel 30 der Stoomwet van 1869 gaf

bij het in dienst stellen der eerste tramlocomotiven van de Nederlandsche Rhijn Spoorwegmaatschappij (den Haag — Scheveningen) in 1878—79 aanleiding tot verschil van opvatting. De beslissing was in dier voege dat de ketels onder de Stoomwet ressorteerden zoolang niet gebruik werd gemaakt van de zoogenaamde groote spoorwegen; in het tegenovergestelde geval (Ede — Arnhem b.v.) moest de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten optreden.

Ten gevolge van de Wet op de Spoorwegen met beperkte snelheid werden in November 1902 alle tramlocomotiven aan de Stoomwet onttrokken en onder den Raad van Toezicht gebracht. De vermindering van werkzaamheden voor het personeel was echter grooter in schijn dan in werkelijkheid, wel werden op eenmaal 342 ketels aan het toezicht onttrokken, doch was de toename in het jaar 1902 toch nog 46 stuks, terwijl de inspecties veeltijds met die van andere ketels konden worden gecombineerd.

Het eigenaardige geval deed zich voor dat —. terwijl bij de locomotiven der groote spoorwegen geen der kleppen