Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

dering na — Nala's booze broeder Puskara, die tenslotte toch ook maar een tijdelijk slachtoffer van den boozen Kali was — „paren" zijn vorsten en vorstinnen „adel van karakter aan adel van geboorte." Hoe grof staat daar tegenover „het volk", vertegenwoordigd door den slecht beheerschten jager, de kooplui van de karavaan en de straatjongens van Cedi. Ook fijner standsverschillen weet de dichter aan te duiden. Ik denk hier aan die strofen (15—19) in den 4den zang, waar verhaald wordt, hoe de dienaressen bij Nala's plotseling verschijnen schrikken, onder elkaar fluisteren, verlegen zijn en niets weten te zeggen, terwijl Damayantï alleen hem met een glimlach begroet en toespreekt. Het herinnert mij aan het bekende mooie tooneeltje in de Odyssee, als Odysseus onverwachts te voorschijn treedt op het stille stukje strand, waar Nausikaa en haar gezellinnen met de bal spelen. Daar ook vluchten de dienaressen; Nausikaa alleen blijft en staat den vreemdeling te woord.

Die takt van Damayantï, die „welberadenheid", treedt telkens aan het licht; zij weet zich te gedragen, in alle omstandigheden, hoe vreemd ze haar ook wezen mogen; zij weet ook te handelen, zij is sterk in haar teederheid; en altijd is haar liefde de stuwende kracht. Met beleid weet zij zich Nala te veroveren, hoezeer ook de goden haar tegenwerken; zij treedt handelend op, als de waanzin van het spel hem verblindt; zij, de zorgvuldig bewaakte, door zon noch wind beroerde koningsdochter, volgt haar man zonder aarzeling of verwijt in het onherbergzame woud; haar liefde is sterk genoeg om haar in haar verlatenheid alle angst en lichamelijke ellende voor niets te doen achten door haar bekommering om haar geliefden Nala; en tenslotte weet zij door allerlei listen hem tot zich te lokken en hem, zijn schaamte ten spijt, te ontmaskeren en te heroveren.

Haar beeld stelt dat van Nala wel eenigszins in de schaduw. Misschien zou hij meer onze sympathie wekken, als zijn vlekkeleoze onschuld ons niet zoo opgedrongen werd. Er wordt te veel gepraat over zijn voortreffelijkheid, zonder dat ze ons blijkt, behalve dan in zijn grootmoedigheid tegenover zijn broeder. Overtuigender is ons zijn zwakheid geteekend, wanneer hij, voor geen rede meer vatbaar, zich overgeeft aan het spel, en wanneer hij, door geestelijke en lichamelijke ellende beneveld, niet meer weet, wat goed en wat slecht is en, zwak in zijn tweestrijd, zijn vrouw liever alleen laat in nood en gevaar dan haar langer voor oogen

vin

Sluiten