is toegevoegd aan uw favorieten.

Schijnlicht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

115

„Nu ja, men behoeft daarom niet roekeloos te zijn "

„Bob, ik herken je niet," zei de Dominee, op veranderden toon. „Het is niets voor jou, om zoo kleinmoedig te zijn. Jij zoudt datgene, wat je voor je plicht hieldt, toch ook niet verzaken, omdat je er een verkoudheid of wat ook door zoudt kunnen opdoen. En dat voor onze lieve Nan; 't kind heeft immers uitdrukkelijk geschreven, dat ze het op zulk een hoogen prijs zou stellen, als ik haar huwelijk kerkelijk inzegende?"

De jonge dokter staarde een wijle voor zich uit zonder te spreken, toen zuchtte hij en, met een zichtbare geestelijke krachts-inspanning, zei hij: „U hebt gelijk, vader, het is niets voor mij om zoo kleinmoedig te zijn en zoo heel bang ben ik ook niet voor u. U is er nog een van de oude garde, taai en veerkrachtig. Voor zoo'n reisje naar den Haag, zelfs in den winter, hoeft u uw hand niet om te draaien

„Wat heb-je er dan tegen? 't Is toch niet, omdat je den ouden man niet alleen wilt laten gaan en omdat je er tegen op ziet, om Hortense terug te zien."

Zijn zoon fronste de wenkbrauwen, doch antwoordde grif: „O nee, dat is het niet. Het is nu bijna een jaar, sedert wij elkander zagen, en in dien tijd heb ik mijn oude gevoelens en aspiraties voldoende onderdrukt. Het weerzien zou mij geen schok geven. Bovendien, vader — met uw gewone kieschheid beeft u er nooit met mij over gesproken en daar ben ik u steeds dankbaar voor geweest, want eigen leed is

best in eigen boezem bewaard doch nu wij 't er

toch over hebben, moet ik u zeggen, dat de Hortense,