Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

gaat naar het bed toe. „Wat is dat nu?" klinkt 't geaffecteerd, „ligt u te schreien? Maar dat is heelemaal niet goed voor u en voor 't kind ook niet."

„Ik kan 't niet helpen," snikt Miel.

„Och! men kan zich toch wel inhouden; kom, tracht u nog wat te slapen, over een uur kom ik met den jongen. Als u zich nu zenuwachtig maakt, hebt u er den last van.... dan voelt u alle pijntjes dubbel en heb ik er maar moeite mee."

„Ik ben mijn zakdoek kwijt," waagt Miel op te merken.

„Uw zakdoek? Dat is niets, dan zal ik wel een voor u krijgen Zoo, met een beetje Eau de Cologne er op. Ze is héérlijk, meneer mag mij gerust een kistje geven, als ik weg ga."

Hoe deftig en hoog zuster is, hoezeer ze 't eigenlijk beneden haar waardigheid vindt om bij „winkelmenschen" in verpleging te zijn, zoo kan ze het niet nalaten telkens gentle hints te gever, over kleine geschenken, die ze wel genadig van ze zou willen aannemen.

Of 't vooruitzicht op de vervulling van haar wensch haar wat zachter heeft gestemd?

In elk geval is haar toon nu menschelijker, als ze herneemt: „Zoo.... nu zijn de traantjes gedroogd en denken we er niet meer aan. U hebt er dan toch geen reden voor? U hebt alles wat uw hart begeert, een lekker, gezond kindje, een goeden man, die belang in u stelt....

„Ja, daar kijkt u nu van op, maar ik verzeker u, dat ik 't wel eens anders heb meegemaakt. Als ver-

Sluiten