is toegevoegd aan uw favorieten.

Jacob Martens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

gericht waren. In den refter of de kapittelzaal was die vreemde, starende blik soms hinderlijk. Slechts wanneer een der andere broeders dit opmerkte, wendde de monnik de oogen schielijk at en keek weder ootmoedig voor zich.

Op zekeren dag, toen zij toevallig in een der lanen van den kloostertuin alleen waren, trad broeder Bernardus haastig op Jacob toe, en vroeg hém snel en gejaagd, of hij het groote nieuws reeds had vernomen. De „Martinisten'' waren met de „Calvinischen" overeengekomen, den Koning drie millioen gulden te bieden als hij vrijheid van godsdienst wilde verleenen. Men geloofde echter niet, dat het ernst was met dat aanbod en te Brussel hield men het er voor, dat de ingezamelde gelden moesten dienen om krijgsvolk tegen den Koning te werven. De Landvoogdes had soldaten in Duitschland geworven, om de oproerige beweging te beteugelen. Brederode versterkte Vianen en dreigde met openlijk verzet. Elk oogenblik kon de algemeene opstand uitbarsten.

Toen de zonderlinge man dit in korte, afgebroken zinnen gezegd had, legde hij met een veelbeteekenend gebaar de vingers op de lippen en verwijderde zich haastig.

Jacob zag hem verwonderd na. Wat beteekende die mededeeting ? Was deze broeder Bernardus een vriend of een vijand ? Kon het zijn, dat hij., de Dominicaner monnik, de zaak der Geuzen was toegedaan ? Of wilde men hem in een val lokken, door zijn vertrouwen te winnen ? Hij besloot op zijn hoede te zijn, en, zoo mogelijk, den monnik tot verdere mededeelingen uit te lokken, zonder zich bloot te geven.

Het was op zekeren Decembermorgen, een mooien, stillen winterdag. De monniken kwamen uit de kapel, in hun gewonen statigen optocht, om in de kruisgang te scheiden en aan hun gewonen arbeid te gaan. Ook Jacob maakte zich gereed, zijn studeercel en zijn Virgilius weder op te zoeken, toen een conversbroeder op