Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9°0(ï65)

MINISTERIE HEEMSKERK — VAN LYNDEN X&Jf.

over de staats- en gemeentekassen zouden beschikken, is daarenboven met administratieve orde en goed beheer niet bestaanbaar.

„Er is meer. Men zou zeer verblind en bevooroordeeld moeten zijn'om niet te erkennen dat èn de vrijheid zelve van onderwijs, èn een goed bijzonder onderwijs zeer nattig zijn voor de maatschappij! maar wierd dat onderwijs tot voorwerp van staatszorg gemaakt, het zou daardoor waarschijnlijk niet aan levenskracht winnen. Bescherming van en naauwe vereeniging met den Staat, drnkt Itjzondere nistellingen, zoowel die winst beoogen, als die waarvan het doel liefdadig is, dood. Leunende op de openbare kas en het openbaar gezag, verhezen zij veerkracht en initiatief .

„Niet minder bedenkelijk is het verlangen van hen, die de openbare school zwak en gebrekkig ja zelfs gediscrediteerd zouden wenschen, opdat het bijzondere onderwijs bloeije. Daaraan voldoende zoude de Regering haar grondwettigen pligt geheel veronachtzamen. Geen bijzonder belang mag in de schaal worden gelegd om de overheid terug te houden van het algemeen belang te behartigen door de openbare school voldoende in te rigten; dat is wat de hoeveelheid betreft, naar de behoefte in de verschillende gemeenten, en wat de hoedanigheid aangaat, naar den eisen van een deugdehjk volksonderwijs. Wie met die openbare school mededingt, is dan van zelf genoopt niet minder te geven aan hen, die van zijn bijzonder onderwijs gebruik maken.

„Tijdens de wet van 1857 nog in wording was, deed zich een derde verlangen krachtig gelden;, het werd des tijds genoemd: de vraag om openbare gezindheidsscbolen. Volgens dit denkbeeld zou de openbare school in minstens drieërlei scholen moeten Worden gesplitst, naar de voornaamste kerkehjke indeeUhg der bevolking van Nederland. Zou die sphtsing voldoende zijn geweest? Zouden niet meer dan drie rigtingen en overtuigingen haar regt en aanspraak op eigen openbare scholen hebben doen gelden ? Wij behoeven bij deze vragen niet stil te staan. De splitsing der openbare school naar de gezindheden, kostbaar en moeielijk als rij is, konde evenwel als een eisch der godsdienstige vrijheid worden beschouwd, indien hier te lande leerpligt bestond, en alleen de openbare scholen regt van bestaan hadden. Maar nu de leervrijheid, als waarborg en aanvulling der godsdienstige vrijheid, bestaat, behoeft tot zulke sphtsing niet te worden overgegaan. Wel verre van de gemoederen te bevre-

Sluiten