Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

X

Zoowel naar de wet van Brumaire, als naar die van 1843 waren alle niet uitdrukkelijk van de belasting vrijgestelde akten onderworpen aan zegelrecht, indien zij bestemd waren om in rechten als bewijs te worden overgelegd, of indien zij, niet opgemaakt met de bedoeling om bewijs op te leveren, later als bewijsmaterieel werden gebezigd.

Met dit stelsel heeft de Zegelwet 1917 gebroken, door in art. 1 te bepalen, dat de belasting beperkt is tot de in de wet genoemde stukken, waardoor een stuk alleen zegelplichtig is, indien het behoort tot die, welke aan dat recht zijn onderworpen in een der Hoofdstukken II—IX der wet, zoodat de overige voortaan ongezegeld kunnen worden opgemaakt, terwijl in de wet zelve nog vrijstellingen voor bepaald genoemde, anders belaste stukken, zijn opgenomen.

De eisch, dat de stukken in het algemeen bewijs moeten kunnen opleveren, heeft men derhalve laten varen en die eisch alleen gesteld in de gevallen bij de wet uitdrukkelijk genoemd.

Is een stuk in de wet als zegelplichtig in een der hbofdstukken genoemd, dan moet nog de vraag worden gesteld of ook tevens toepasselijk is een der vrijstellingen in het betrekkelijk hoofdstuk opgenomen. Zoo zijn b.v. van de bij art. 23, 3°. belaste verzoekschriften verscheidene te brengen onder de vrijstellingen verleend bij art. 32, onder nos. 3 of 4 der wet.

In de M. v. T. op de wet is er de nadruk op gelegd, dat door de nieuwe methode van aanwijzing der zegelplichtige stukken de onzekerheid of eenig stuk al dan niet gezegeld behoort te worden, grootendeels tot het verleden zou gaan behooren, te meer, waar, zooals hierna zal blijken, de stukken van publiekrechtelijken aard, die binnen de administratie blijven, onbelast worden gelaten.

Of aan die verwachting geheel is beantwoord mag aan eenigen twijfel onderhevig worden geacht. Ook thans nog is die vraag in sommige gevallen moeilijk te beantwoorden, hetwelk o. a. blijkt bij de toepassing der artt. 23, no. 12 en 32, no. 4.

Door de bepalingen van art. 32 sub 2° en 4° zal het niet meer noodig zijn in wetten afzonderlijke bepalingen omtrent vrijstelling van zegelrecht op te nemen, nu voor stukken, waarvan de overlegging krachtens eenige wet wordt gevorderd, of die worden opgemaakt ter voldoening

Sluiten