is toegevoegd aan uw favorieten.

Mooie Marie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

om gaat het woord van Minnema hem veel te ver. Hij ziet hoe oude Leentje begint te beven, 't Wordt haar opnieuw zoo vreemd. Precies als dien avond, toen die brief over Marie uit Amsterdam kwam. Zij zoekt om een steunpunt, 't welk echter nergens schijnt te zijn.

Gelukkig dat de diaken nummer drie vlak bij zit. Terwijl hij haar aangrijpt, zegt hij: „stil maar vrouwtje, 't zal wel wat meevallen". En dan de nog altijd wachtende buurvrouwen roepend: „willen jullie vrouw Jongsma even meenemen ? De overgang van de koude buiten in de warmte hier is haar wat te kras".

Thuis ligt Marie op de komst van hare moeder te wachten. Wat toeft zij lang. Of dat altijd zoo is, wanneer zij naar de bedeeling gaat? Jan weet het niet. Hij denkt niet zoo om die dingen. Moeder moet geen ongeluk krijgen op de gladde straat. Of hij niet eens zien zal. Wacht daar komt wat aan. Zij hoort de stem van buurvrouw Pietje.

„Zie zoo, zegt deze, nu maar gauw naar binnen".

„Dank je wel, zegt Leentje, 'k denk dat ik wat duizelig werd van de warmte daar".

„Is alles goed moeder?" vraagt Marie.

„Ja kind, hoe zoo?"

„Je ziet zoo bleek".

„'t Zal van de kou komen, denk ik".

Uit de gloeiende asch zoekt Jan de laatste sprankjes vuur, opdat moeder hare voeten nog even verwarmen zal, voor men ter ruste gaat. Een half uur later zoeken allen in den slaap ook het leed van dezen dag weer te vergeten.