is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopt gewestelijk overzicht der plaatselijke fondsen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

4) . Hij is belast met de bewaring en het dagelijksch beheer van die gelden en met de verantwoording daarvan aan de commissie.

5) . Hij houdt daarvan een kasboek aan, waarin alle ontvangsten en uitgaven volgens hunne datums worden ingeschreven.

6) . Hij belegt de gelden, die niet terstond benoodigd zijn, bij een door de commissie aan te wijzen geldinstituut.

7) . Voor de op die wijze belegde gelden is hij niet aansprakelijk.

8) . Voor de veilige bewaring van de voor dagelijksche uitgaven benoodigde gelden is hij tegenover de commissie verantwoordelijk, maar hij kan vorderen dat hem ten laste van het „gemeenteronds" eene veilige bewaarplaats daarvoor wordt ter beschikking gesteld.

9) . De commissie is bevoegd zich te allen tijde te overtuigen van de richtige boekhouding en de aanwezigheid der gelden, en verplicht minstens éénmaal 's jaars die opname te doen.

10) . Het dagelijksch toezicht op den penningmeester berust bij den voorzitter der commissie.

11) . Bij de vervanging van den penningmeester wordt zijne administratie en de kas met de bewijsstukken aan den optredenden titularis overgegeven in tegenwoordigheid van minstens twee commissieleden, die het betrekkelijk procesverbaal mede onderteekenen.

12) . Vóór het einde van elk jaar stelt de commissie eene begrooting vast van de uitgaven in het daaropvolgende jaar te doen, met inachtneming van de middelen waarover zij ter bestrijding daarvan zal kunnen beschikken.

13) . Die begrooting wordt terstond na de vaststelling aan den Resident voorgelegd ter kennisneming.

14) . De Resident is bevoegd om zijne bedenkingen tegen die begrooting aan de commissie in overweging te geven, naar aanleiding waarvan zij door de commissie kan gewijzigd worden.

1 5). De wijziging kan ook gedurende den loop van het begrootingsjaar plaats hebben, wanneer de commissie dit wenschelijk acht en de Resident zich met dat gevoelen vereenigt.

16). Vóór ultimo Maart van elk jaar wordt door den penningmeester eene rekening en verantwoording over de in het afgeloopen jaar ontvangen en uitgegeven gelden opgemaakt, die aan