is toegevoegd aan uw favorieten.

Een droomer ter haringvangst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

„Ik ben nou jongste," ging bij daarna voort. „Ik verdien nou drie rijksdaalders in de week. Dat is niet veel, want ik geef het allemaal aan mijn moeder. Maar daarvan moet veel af. Daar heb je eerst', wat je in je stoppekissie meeneemt. Dat is boter, suiker en tabak. Dan je zeelaarzen — die kosten negen gulden. En je oliejas en je zuidwester en je velletje met het klappie. Daar gaat een geld inzitten, mijnheer. Maar komende reis ben ik vol matroos, dan heb ik wel negen gulden in de week. Dan ga ik mijn meissie vragen. Zij dient nou in Vlaardingen en zij heeft een aardige spaarpot; dan geef ik mijn moeder kostgeld en het overige leg ik weg tot ik genoeg heb voor de trouweratie. Wij menschen trouwen vroeg — want dan heb je een beter leven en dan weet je voor wie je werkt en als je thuiskomt, dan eet je vleesch en die dagen aan den wal heb je het maar goed bij haar. Als wij, ongetrouwde zeejongens, nou aan den wal zijn, dan kleeden wij ons netjes aan — je moet mijn nieuwe pet eens zien, die heeft vijf- en dertig stuivers gekost. En 's avonds dan loopen we in Vlaardingen de Hoogstraat op en neer — al maar op en neer. Dat doen we zoo allemaal. Dan komen de landjongens, de kuipers en al die andere grutters en die loopen ons dan met opzet tegen het lijf om te vechten. Maar wij vechten liever niet, wij houden ons fatsoen. Alleen soms, als het te erg wordt, dan slaan we er een beetje op. Maar niet erg, anders sloeg je ze meteen tegen den grond tot ze bleven liggen, want wat is nou zoo'n landjongen waard."

Herman keek eens naar de breede schouders van Aai en naar zijn vereelte, zware handen en bij geloofde Aai op zijn woord.

„Is je meisje mooi?"

„Wat is mooi voor een vrouw ? Wat koop je voor mooi ?