is toegevoegd aan uw favorieten.

Wettelijke voorschriften

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 84 —

6. ' Allen die aan boord zijn moeten de bevelen des schippers betrekkelijk het behoud en de zekerheid van schip en lading en de bevordering der reis opvolgen. Bij weigering is de schipper gerechtigd hen daartoe te noodzaken.

De schipper wordt, ook ten opzichte der passagiers, tot het bewijs van het tegendeel, geacht tot gemeen behoud en uit geoorloofde zelfverdediging te hebben gehandeld.

7. De schipper oefent een disciplinair'gezag over de scheepsgezellen uit, en kan hen wegens verwijdering van boord zonder verlof, verlengde afwezigheid na afloop van verlof, verzuim van dienst, en wegens elke inbreuk op hunne verplichtingen met de verbeurte van een tot vijftien dagen gagie straffen.

Dronkenschap, twist en stoornis wekkende onzedelijkheid kunnen met gelijke verbeurte van gagie door den schipper worden gestraft.

8. Hij, die eenmaal op grond van art. 7 is gestraft, kan, in geval van herhaling in den loop derzelfde reis, door den schipper disciplinair van één tot drie dagen recht in de boeien worden gesloten.

9. Muiterij, gewelddadig verzet, dienstweigering, bedreiging jegens meerderen in rang, of jegens hen, die met eenig tijdelijk gezag zijn bekleed, en weigering van bijstand bij muiterij of gewelddadig verzet en bij het arresteeren van schepelingen, kunnen met gelijke disciplinaire sluiting in de boeien gedurende drie dagen, zelfs verhoogd door kromsluiting in de boeien gedurende den dag, door den schipper worden gestraft.

In de gevallen, voorzien in dit en het vorige artikel, kan de verbeurte van gagie tot dertig dagen worden .uitgestrekt.

Indien de schipper gebruik maakt van de bepalingen van artt. 436 en 437 . van het Wetboek van Koophandel, kan hij geene disciplinaire straf opleggen.

10. De monsterrol wijst de bestemming van de gelden aan, voortvloeiende uit de verbeurde gagie.

De schipper kan, welke ook de bestemming dier gelden zij, nimmer. eenig deel derzelve genieten. , . . .

11. Vervangen door Sr.. 396—397. (Zie ald.)